ECLI:NL:RBROT:2020:1043
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen openbaarmaking aanwijzingsbesluit door DNB
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van een trustkantoor en haar bestuurder tegen De Nederlandsche Bank (DNB) vanwege de voorgenomen openbaarmaking van een aanwijzingsbesluit. DNB had op 15 maart 2019 een aanwijzing gegeven aan het trustkantoor wegens overtredingen van de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Dit besluit werd onherroepelijk en DNB besloot het, met een persbericht, openbaar te maken.
De verzoekers betoogden dat de openbaarmaking onterecht was omdat het nieuwe publicatieregime niet van toepassing zou zijn en dat de openbaarmaking geanonimiseerd moest plaatsvinden om reputatieschade te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat het aanwijzingsbesluit onherroepelijk is en dat de overtredingen nog voortduurden op het moment van het besluit, waardoor het nieuwe publicatieregime van toepassing is.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de belangen van DNB bij volledige openbaarmaking slechts wijken voor uitzonderlijke individuele situaties waarin onevenredige schade wordt verwacht. De omstandigheden van de verzoekers, waaronder het niet meer actief zijn van het trustkantoor en mogelijke reputatieschade, waren onvoldoende om de openbaarmaking te beperken of te anonimiseren.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen en dat er geen reden is voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de openbaarmaking van het aanwijzingsbesluit door DNB is afgewezen.