Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verdere verloop van de procedureHiervoor wordt verwezen naar de tussenbeschikking die de kantonrechter in deze zaak gegeven heeft op 23 januari 2019. Op diezelfde datum is tevens een tussenbeschikking gegeven in de ontbindingsprocedure die Stichting Yulius (hierna: “Yulius GGZ”) tegen [verweerster] aanhangig heeft gemaakt met zaaknummer 7249339 / VZ VERZ 18-21216.
- Dhr. [getuige 1] , voormalig onderwijsassistent Yulius Onderwijs;
- Dhr. [getuige 2] , onderwijsassistent bij Yulius Onderwijs;
- Dhr. [getuige 3] , teamleider bij Yulius GGZ;
- Mw. [getuige 4] , gezinsbehandelaar bij Yulius GGZ;
- Mw. [getuige 5] , gezinsbehandelaar bij Yulius GGZ;
- Mw. [getuige 6] , voormalig regiomanager bij Yulius Onderwijs;
- Mw. [getuige 7] , systeemtherapeut bij Yulius GGZ;
- Mw. [getuige 8] , voormalig directeur Onderwijs bij Yulius Onderwijs;
- Mw. [getuige 9] , directeur [naam school 1] a.i.;
- Mw. [getuige 10] , intern begeleider Yulius GGZ en moeder leerling;
9 april 2019:
- Dhr. [getuige 11] , manager bij Alvast Leegstandsbeheer;
- Dhr. [getuige 12] , voormalig teamcoördinator [naam school 1] ;
- Mw. [getuige 13] , voormalig leerkracht op [naam school 1] ;
- Mw. [getuige 14] leerkracht op [naam school 1] ;
- Dhr. [getuige 15] , voormalig regiomanager a.i. bij Yulius Onderwijs;
Mw. [getuige 16] , verweerster in beide procedures en teamleider bij [naam school 1] .
2.De nadere beoordeling van het verzoek
‘i.v.m. onderzoek naar asbest en dat de sloop van het pand ging starten i.v.m. nieuwbouw”.Die verklaring strookt niet met hetgeen [verweerster] gesteld heeft. [naam 1] heeft tevens nog verklaard dat de units op hetzelfde moment door zijn dochter zijn opgezegd, omdat hij geen bruikleenovereenkomst had. Met die verklaring ziet [naam 1] eraan voorbij dat niets zich verzet zou hebben tegen opzegging van de bruikleenovereenkomst van alleen de unit die volgens [verweerster] in gebruik was als opslagruimte en continuering van de overeenkomsten ten aanzien van de beide units die volgens [verweerster] in gebruik waren bij haar vader.
“specialistische begeleiding van kinderen/jongeren met een psychiatrische problematiek/diagnose”.In tweede instantie heeft [verweerster] het bedrijfsprofiel van die inschrijving veranderd in “ambulante jeugdzorg” met als omschrijving van de bedrijfsactiviteiten
“kinderopvang en peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang voor kinderen met een psychische beperking”.Als reden voor de wijziging van het bedrijfsprofiel heeft [verweerster] gesteld dat zij bij het nieuwe profiel vanuit de inspectie niet langer verplicht was om zorgverslagen op te maken en een jaarverslag te schrijven. Wat ook zij van die uitleg en reden, [verweerster] heeft gelijk wanneer zij stelt dat een vermelding van handelsactiviteiten in het Handelsregister nog niet onmiddellijk betekent dat die activiteiten ook feitelijk en daadwerkelijk verricht worden, doch in combinatie met de andere hiervoor en hierna genoemde omstandigheden had dan wel van [verweerster] verwacht mogen worden dat zij haar ontkenning en haar stelling dat de inschrijving in het Handelsregister alleen bedoeld was voor mogelijke toekomstige activiteiten, na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met Yulius, meer handen en voeten gegeven had, door bijvoorbeeld afschriften over te leggen van belastingaangiftes, waaruit duidelijk afgeleid zou kunnen worden welke inkomsten zij genereerde met [naam onderneming] .
“haar kapot te zullen maken”en
“ik pak je nog wel een keer terug”. Vaststaat dat de verstandhouding tussen [getuige 2] en [verweerster] gespannen was en dat [getuige 2] boos was op [verweerster] . Dat blijkt onder meer uit het feit dat [getuige 2] anoniem over [verweerster] geklaagd heeft bij mevrouw [getuige 8] , doch dat betekent nog niet onmiddellijk dat daarom de verklaring van [getuige 2] volledig onbetrouwbaar is, zoals [verweerster] heeft gesteld. De verklaring van de getuige [getuige 2] staat immers niet op zichzelf en vindt bijvoorbeeld ook bevestiging in de waarnemingen van [recherchebureau] , zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.4.2. bedoeld. Bovendien strookt de verklaring van [getuige 2] met de betaling van € 250,- die [verweerster] op 13 juli 2017 aan hem gedaan heeft. De stelling van [verweerster] dat zij dat bedrag aan [getuige 2] geleend heeft, is verder op geen enkele wijze onderbouwd. Wanneer [verweerster] dat bedrag werkelijk aan [getuige 2] geleend zou hebben, zou toch aannemelijk zijn geweest dat zij bij die bankbetaling als kenmerk vermeld zou hebben “geldlening” of een soortgelijke omschrijving. Ook is op geen enkele wijze gebleken dat [verweerster] jegens [getuige 2] aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van dat bedrag. Het ligt niet zonder meer voor de hand dat [verweerster] die lening laat zitten, zeker niet nu degene aan wie het geld geleend is volgens [verweerster] niet te vertrouwen is, haar lastig valt en haar bedreigt. Voorts is opmerkelijk dat [verweerster] pas voor het eerst gemeld heeft dat zij bedoeld bedrag van € 250,- aan [getuige 2] geleend heeft, nadat zij geconfronteerd was met het bankafschrift. In het verweerschrift heeft zij daarvan geen melding gemaakt
[verweerster] van [naam onderneming] .[verweerster] heeft dat formulier betwist en heeft tevens te kennen gegeven niet te kunnen verklaren waarom haar naam genoemd wordt in dat formulier. Zij heeft verder toegelicht dat zij een vermoeden heeft wie het betreft, maar dat zij voor deze leerling nooit een PGB heeft gekregen of werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van die leerling. Wat ook zij van die verklaring van [verweerster] , in ieder geval blijkt uit dat formulier dat [verweerster] begeleiding heeft verricht, want anders valt zonder nadere toelichting, die echter ontbreekt, niet te verklaren hoe de moeder van die leerling heeft kunnen vermelden dat haar kind door
van [naam onderneming]begeleid werd.
andere nevenwerkzaamheden.Ook ten aanzien van die nevenwerkzaamheden geldt op basis van de Cao een meldingsplicht en uit hetgeen hierna in rechtsoverweging 2.6.1. t/m 2.6.6. wordt overwogen en beslist volgt dat niet is komen vast te staan dat [verweerster] aan die meldingsplicht heeft voldaan.
“kan je nog een pgbtje gebruiken?”. De getuige [getuige 5] heeft tevens verklaard dat uit dat bericht blijkt dat zij toen wist dat [verweerster] PGB-kinderen begeleidde. Anders dan [verweerster] stelt kan naar het oordeel van de kantonrechter niet gezegd worden dat uit die verklaring blijkt dat de werkgever van [verweerster] bekend was met de begeleiding van PGB-kinderen. De getuige [getuige 5] is immers als gezinsbehandelaar in dienst bij Yulius GGZ. Onweersproken staat tussen partijen vast dat [getuige 5] geen functie heeft bij Yulius Onderwijs en niet betrokken is bij dat onderdeel van Yulius, zodat haar wetenschap ten aanzien van de nevenactiviteiten van [verweerster] in juli 2016 dan ook niet zonder meer toegerekend kan worden aan Yulius Onderwijs. Terecht heeft Yulius Onderwijs tevens betoogd dat [verweerster] op totaal andere wijze gereageerd zou hebben op de brief die mevrouw [getuige 8] op 19 maart 2018 aan haar gericht heeft en waarin [verweerster] gevraagd is of zij opvang en begeleiding aanbood, waardoor kinderen buiten schooltijd bij haar aanwezig waren. Als iedereen bij Yulius daarvan op de hoogte zou zijn, zoals [verweerster] thans stelt, zou het voor de hand hebben gelegen dat zij ook in die zin op die brief gereageerd zou hebben. Zij heeft daarvan echter op geen enkele wijze melding gemaakt in die brief. De uitleg die [verweerster] daarover en over het daarmee verband houdende gesprek op 19 maart 2018 met [getuige 8] en [naam 2] gegeven heeft tijdens haar getuigenverhoor op 17 april 2019 dat zij er
“niet meer serieus op is ingegaan”is naar het oordeel van de kantonrechter weinig overtuigend.
en [getuige 12] op zijn naam een internet- en telefoonabonnement heeft afgesloten voor het pand aan de [adres 1] . Een en ander lijkt er eerder op te duiden dat [getuige 12] op dat adres zelf ook kinderen begeleid heeft.
van [naam onderneming] .[verweerster] heeft ten aanzien van dat formulier verklaard dat zij nooit iets voor deze ouders of deze leerling heeft gedaan, doch die enkele betwisting, die verder niet onderbouwd is vormt voor de kantonrechter geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dat aanmeldformulier.
“gezien de dienstverbanden bij zorg en onderwijs, hebben jullie geen toestemming voor nevenactiviteiten. Denkwerk mag wel, het uitvoeren van betaalde of onbetaalde werkzaamheden niet”.Dat [verweerster] ernstig verwijtbaar gehandeld heeft klemt temeer nu zij werknemers van Yulius Onderwijs tijdens hun werktijd bij Yulius Onderwijs heeft ingezet om werkzaamheden te verrichten ten behoeve van haar eigen nevenactiviteiten. Een en ander betekent dan ook dat [verweerster] geen recht heeft op de transitievergoeding.