In deze zaak staat de vraag centraal of de werknemer verwijtbaar of ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor de transitievergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet verschuldigd zou zijn. De zaak is in eerste aanleg behandeld door de kantonrechter te Haarlem en in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam. Roto Frank heeft tegen het arrest van het hof cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de lagere instanties voor het feitencomplex en het verloop van de procedure. Het cassatieberoep van Roto Frank wordt verworpen omdat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de transitievergoeding verschuldigd is en dat de werknemer niet verwijtbaar of ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Roto Frank wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak is gedaan door de vicepresident en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.