ECLI:NL:RBROT:2019:1752
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.G.L. de Vette
- A.I. van Strien
- J. de Gans
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating maatschappelijke opvang wegens onvoldoende zelfredzaamheid
Eiseres, samen met haar minderjarige dochter, keerde in mei 2018 terug naar Nederland na een verblijf in Engeland, waar zij beschikte over werk en woonruimte. Zij verzocht bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om toelating tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015. Dit verzoek werd afgewezen omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden, met name omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet op eigen kracht kon functioneren.
De rechtbank overwoog dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij vanwege problemen haar thuissituatie in Engeland had verlaten en dat zij daar beschikte over een netwerk, woonruimte en inkomen. In Nederland heeft zij een uitkering, een woonpas en wordt zij begeleid door een maatschappelijk werker. Haar medische klachten en beperkte woonruimtezoektocht waren onvoldoende om te concluderen dat zij niet zelfredzaam is.
Eiseres voerde aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan en dat haar rechten op grond van het EVRM en het IVRK waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende onderzoek had verricht en dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro niet tot toewijzing van de opvang leidde. De belangen van het minderjarige kind waren volgens de rechtbank voldoende meegewogen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 7 maart 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van maatschappelijke opvang is ongegrond verklaard.