De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de verdachte werd verdacht van het feitelijk leiden van illegale transporten van cadmiumhoudend kunststofgranulaat, een afvalstof uit de oranje lijst van de EVOA, van Nederland naar Polen zonder voorafgaande kennisgeving en toestemming van de bevoegde autoriteiten. Daarnaast werd hem verweten te hebben gehandeld in deze stof zonder registratie op de VIHB-lijst.
De verdachte erkende het nalaten van kennisgeving en toestemming, maar beriep zich op een verkeerde interpretatie van de gebruikte eural-code, waardoor hij dacht dat het om een groene lijst afvalstof ging waarvoor geen kennisgeving nodig was. De rechtbank oordeelde dat de afvalcode uit de EVOA leidend is en dat de verdachte had moeten voldoen aan de kennisgevings- en toestemmingsvereisten. Ook werd vastgesteld dat de medeverdachte rechtspersoon handelde zonder registratie op de VIHB-lijst.
Hoewel de verdachte feitelijke leiding gaf aan de strafbare feiten, sprak de rechtbank hem vrij van medeplegen omdat de gedragingen aan de rechtspersoon konden worden toegerekend en er geen onderscheid kon worden gemaakt tussen de rol van de verdachte en de vennootschap. Gezien de ernst van de feiten, de grote hoeveelheid afval en de milieugevaarlijke aard van cadmium, werd een geldboete opgelegd aan de rechtspersoon. De verdachte werd schuldig verklaard zonder strafoplegging, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en zijn persoonlijke omstandigheden.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte naleving van milieuwetgeving bij afvaltransporten en de verantwoordelijkheid van professionele marktdeelnemers om zich te informeren over toepasselijke regelgeving.