ECLI:NL:RBROT:2018:3953
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verschuiving eerste werkloosheidsdag en terugvordering WW-uitkering na ongeldig ontslag op staande voet
Eiseres werd op 15 december 2015 op staande voet ontslagen door haar werkgever. Na een WW-uitkeringsaanvraag kende het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een WW-uitkering toe op voorschotbasis, met nader onderzoek naar verwijtbare werkloosheid. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was, maar het Gerechtshof Den Haag vernietigde dit en kende een billijke vergoeding toe als alternatief voor herstel van de arbeidsrelatie, waarbij de arbeidsovereenkomst volgens het Hof op 1 juli 2016 zou zijn geëindigd.
Verweerder verschuift daarop de eerste werkloosheidsdag van 15 december 2015 naar 1 juli 2016 en vordert terugbetaling van WW-uitkering over de periode daartussen. Eiseres betwist deze verschuiving en stelt dat de billijke vergoeding ten onrechte als salaris is aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat de verschuiving terecht is, omdat vanaf 1 juli 2016 sprake is van verlies aan arbeidsuren conform de WW.
Daarnaast voert eiseres aan dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, maar zij onderbouwt dit onvoldoende. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat dringende redenen alleen bestaan bij onaanvaardbare financiële of sociale consequenties, welke niet zijn aangetoond. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verschuiving van de eerste werkloosheidsdag en terugvordering WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.