De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiseres tegen een boete van €472.000 opgelegd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens het laten verrichten van arbeid door 59 Kroatische werknemers zonder geldige tewerkstellingsvergunning (twv).
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van grensoverschrijdende dienstverrichting, waarvoor geen twv vereist is, of van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. De rechtbank oordeelde dat aan de drie criteria van het Vicoplus-arrest was voldaan, waardoor het ging om terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Eiseres had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de boete onrechtmatig was of dat sprake was van onzorgvuldig onderzoek.
Eiseres voerde aan dat de boete gematigd moest worden op grond van de Beleidsregel 2016, omdat zij alles had gedaan om overtreding te voorkomen. De rechtbank stelde vast dat de matigingsgrond ook voor buitenlandse werkgevers geldt en dat verweerder onredelijk had geoordeeld dat matiging alleen voor de directe werkgever geldt. De boete werd daarom met 25% gematigd en vastgesteld op €354.000. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.