ECLI:NL:RBROT:2016:2025
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de geldigheid van een machtiging en proceskostenvergoeding in WOZ-zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak bij de rechtbank Rotterdam stond de vraag centraal of de door eiser overgelegde machtiging voldeed aan de vereisten voor vertegenwoordiging in bezwaar en beroep tegen een WOZ-beschikking. De rechtbank bevestigde de geldigheid van de machtiging, mede gelet op de data van het primaire besluit, de machtiging en het ingediende bezwaar. Hierdoor kon het beroep inhoudelijk worden beoordeeld.
De rechtbank stelde vast dat verweerder ten onrechte geen volledige proceskostenvergoeding had toegekend voor het ingebrachte taxatierapport en registratiekosten. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betrof. De rechtbank bepaalde zelf een hogere vergoeding van € 368,50 en veroordeelde verweerder tevens tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in beroep.
De rechtbank wees erop dat de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorzien in een vergoeding door de Staat der Nederlanden in plaats van verweerder. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2016.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betreft, met toekenning van een hogere vergoeding aan eiser.