Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2014 in de zaak tussen
[eiser] te Sliedrecht, eiser,gemachtigde: mr. J. Hoeijenbos,
het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder,
Procesverloop
Overwegingen1.Eiser verblijft in een zorginstelling in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Bij het primaire besluit heeft verweerder de met dat verblijf verband houdende eigen bijdrage met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld op € 1.963,67 per kalendermaand. Bij de berekening heeft verweerder de inkomensgegevens van eiser uit 2011 gebruikt. Tevens heeft verweerder 8% van de grondslag sparen en beleggen meegeteld, naar aanleiding van eisers vermogen in box 3 (€ 134.344,-).
Eiser betwist tevens verweerders stelling dat het Bbz en de Brz geen ruimte bieden om de eigen bijdrage te matigen of kwijt te schelden. De stelling dat deze regelingen geen hardheidsclausule of een coulanceregeling bevatten, kan naar zijn mening niet juist zijn gelet op het feit dat besloten is om vermogen, voortvloeiend uit een vergoeding voor smartengeld, niet mee te tellen. Volgens eiser dient het deel van zijn spaargeld dat bestemd is voor begrafeniskosten buiten beschouwing te worden gelaten, omdat bij degenen die voor deze kosten een verzekering hebben afgesloten de aanspraak op kostenvergoeding ook niet wordt opgeteld bij hun spaargeld.
5.3. Voor zover niet bij bijzondere wetgeving wordt afgeweken van de in artikel 7:2 van Pro de Awb geregelde hoorplicht, is het afzien van horen slechts mogelijk in de in
(…)
een uitkering ingevolge de Ziektewet;
zorgtoeslag, een jonggehandicaptenkorting, een ouderenkorting of extra vrijlatingen, een
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of de uitkering op grond van artikel 20
c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk 8% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het peiljaar van de gehuwde verzekerden.
- veelal in de vorm van premies -, blijkt uit het spaargeld niet met welk doel dit is gereserveerd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.