ECLI:NL:RBROT:2014:2396
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding rookverbod in horecagelegenheid bevestigd
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen een bestuurlijke boete van €4.500,- opgelegd door de minister van Volksgezondheid wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet. De boete werd opgelegd na een inspectie waarbij werd vastgesteld dat in de horecagelegenheid van eiser werd gerookt terwijl daar werkzaamheden werden verricht.
Eiser voerde aan dat hij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat hij in het handelsregister was aangepast van twee naar één werkzame persoon en dat zijn zoon geen arbeidsovereenkomst had. De rechtbank oordeelde dat de minister aan de inschrijving in het handelsregister het vermoeden van werkgeverschap mag ontlenen en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze gegevens foutief waren.
De rechtbank stelde vast dat de inspectie op 15 december 2012 plaatsvond toen nog twee personen waren ingeschreven en dat de zoon werkzaamheden verrichtte. Het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst deed niet af aan het ruime materiële werkgeversbegrip in de tabakswetgeving.
De rechtbank concludeerde dat eiser als werkgever moet worden aangemerkt en het rookverbod heeft overtreden. De boete werd opgelegd als vierde overtreding binnen vijf jaar en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wegens overtreding van het rookverbod in de horecagelegenheid wordt ongegrond verklaard.