ECLI:NL:RBROT:2010:BL8565
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.M.L. Harreman
- Rechtspraak.nl
Geschil over cessie, stille verpanding en subrogatie bij openstaande vordering tussen Bakkerij en De Gouden Korenaar
De zaak betreft een vordering van € 67.260,20 die de Bakkerij heeft op De Gouden Korenaar B.V. (DGK) voor geleverde broodproducten. Deze vordering zou deels zijn gecedeerd aan DGK door Intra en vervolgens stil verpand aan de Rabobank Nedersticht. De Rabobank zou inningsbevoegd zijn geworden na kennisgeving aan DGK. Tevens stelt eiseres dat zij hoofdelijk aansprakelijk was voor de schulden van de Bakkerij en de schulden aan de Rabobank heeft voldaan, waardoor zij door subrogatie in de rechten van de Rabobank is getreden.
DGK voert verweer tegen de vordering, de cessie, de stille verpanding, de inningsbevoegdheid van de Rabobank en de subrogatie. DGK betwist onder meer de hoogte van de vordering, de geldigheid van de cessie en verpanding, en de aansprakelijkheid van eiseres. De rechtbank constateert dat DGK onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de Bakkerij nog een openstaande vordering heeft en dat de cessieovereenkomst rechtsgeldig is. Echter, de geldigheid van de stille verpanding en de subrogatie worden gemotiveerd betwist door DGK.
De rechtbank besluit dat eiseres de geldigheid van de verpanding en haar subrogatie in de rechten van de Rabobank moet bewijzen. Zij wordt in de gelegenheid gesteld om de originele documenten te overleggen en de bewijsvoering aan te vullen. De zaak wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een akte na tussenvonnis. De rechtbank houdt verdere beslissing aan totdat het bewijs is geleverd.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verwijst de zaak naar een rolzitting voor nadere bewijslevering en akte na tussenvonnis.