ECLI:NL:RBOVE:2026:600

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/08/340095 / HA ZA 25-378
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 101 RvArt. 102 RvArt. 3:61 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank Overijssel in geschil over consumentenkoop en installatie zwembad

Partij A kocht een zwembad en liet dit installeren, waarna gebreken ontstonden die schade veroorzaakten. Partij A vordert schadevergoeding van partij B en startte de procedure bij de rechtbank Overijssel, beroep doende op consumentenbescherming volgens Brussel I bis en artikel 101 Rv Pro.

Partij B betwist de bevoegdheid van deze rechtbank en stelt dat de zaak bij de rechtbank Midden-Nederland moet worden behandeld, omdat geen consumentenovereenkomst tussen partijen zou bestaan. De rechtbank onderzoekt de bevoegdheid aan de hand van de relevante Europese en nationale regels.

De rechtbank oordeelt dat het bestaan van een overeenkomst in het kader van het bevoegdheidsincident marginaal wordt getoetst en dat het niet is uitgesloten dat partij B als wederpartij kan worden aangemerkt, mede op grond van schijn van volmacht. Het internationale aspect ontbreekt, waardoor artikel 101 Rv Pro leidend is.

De rechtbank wijst het incident tot onbevoegdheid af en verklaart zich bevoegd. Partij B wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt op een later moment inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: De rechtbank Overijssel verklaart zich bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdheid af, waarbij partij B in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/340095 / HA ZA 25-378
Vonnis in incident van 4 februari 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. C.G. Mensink,
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. M.L.A. Verleun.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met 29 producties,
  • de akte onbevoegdheid tevens houdende conclusie van antwoord met 3 producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De zaak in het kort

2.1.
[partij A] heeft een zwembad gekocht en in zijn tuin laten installeren. Er zijn problemen met het zwembad waardoor [partij A] schade lijdt. [partij A] wil de schade verhalen op [partij B] en betrekt [partij B] uiteindelijk in rechte. Met een beroep op de consumentenbescherming van arikel 18 lid 1 van de Brussel I bis verordening dan wel artikel 101 Rv Pro heeft [partij A] de zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank Overijssel, de rechtbank van zijn woonplaats. [partij B] betwist de bevoegdheid van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo omdat [partij B] stelt dat van een (consumenten)overeenkomst tussen partijen geen sprake is. Volgens [partij B] dient geprocedeerd te worden bij de rechtbank van haar plaats van vestiging, derhalve bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De rechtbank zet hieronder uiteen op welke gronden zij zich bevoegd acht om van de vorderingen van [partij A] kennis te nemen.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft op basis van informatie op de website van Zwembaden [partij B] en een brochure opgevraagd bij [partij B] een [partij B] zwembad gekocht en in zijn tuin laten installeren door Buitengewoon. In dat kader heeft [partij A] de offerte waarin een zwembadpakket wordt geoffreerd, geaccordeerd. Op de offerte staat zowel het logo van Zwembaden [partij B], als dat van Buitengewoon.
3.2.
Zwembaden [partij B] is volgens haar website een familiebedrijf dat is gevestigd in de [plaats], en aanwezig is in 29 landen.
[partij B] Nederland is de handelsnaam van [partij B] B.V., een bedrijf dat volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel staat geregistreerd als ingenieurs en als groothandel in onder meer appendages en technische toebehoren en dat zich bezig houdt met overig technisch ontwerp en advies.
Buitengewoon is de handelsnaam van de eenmanszaak van [naam], een bedrijf dat zich volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel bezig houdt met bouwtimmeren en houtskeletbouw.
3.3.
Zwembaden [partij B] verwijst op haar website naar het ProPiscines© label, dat door de Fédération des Professionnels de la Piscine (FPP) kan worden toegekend aan bedrijven, die zich conform het label zowel moreel als professioneel verbinden tot het leveren van kwaliteitsdiensten die voldoen aan de huidige normen en voorschriften.
Op de website van Zwembaden [partij B] staat:
Er zijn 3 labelniveau’s:
  • Toegewijd ProPiscines©: het bedrijf ondertekent een 5-punts handvest van verbintenissen
  • Gekwalificeerd ProPiscines©: de zwembadbouwer is ook gekwalificeerd door
  • Gecertificeerd ProPiscines©: (meest betrouwbaar): de betrouwbaarheid van het bedrijf wordt beoordeeld door een audit door Socotec Certification.
Zwembaden [partij B] is één van de 11 gecertificeerde ProPiscines© zwembadbouwers.
Ook staat op de website dat met zijn ProPiscines©- en ISO 9001-certificeringen en garanties meer dan 136.000 gezinnen er op vertrouwd hebben voor hun zwembadprojecten.
3.4.
Het zwembad is medio 2023 opgeleverd. Op 30 oktober 2023 refereert [partij A] bij [naam] aan het al eerder met [naam] besproken vermoeden dat het zwembad lek is. Per week moet er 4-5 m³ water worden aangevuld. Ook meldt [partij A] dat de liner loslaat en ribbels vertoont.
3.5.
Op 10 januari 2024 laat [naam] weten dat navraag bij [partij B] heeft geleerd dat water achter de liners op dat moment bij meerdere baden voorkomt en het gevolg kan zijn van het extreem hoge grondwaterpeil. Dit valt niet onder de garantievoorwaarden. [naam] raadt [partij A] aan om een beroep te doen zijn opstalverzekering. Voor het oplossen van het waterverlies in het systeem biedt [naam] aan om een afspraak te maken om dit te verhelpen.
3.6.
Bij e-mail van 18 maart 2024 deelt [partij A] zowel [partij B] als [naam] mee dat ook sprake is van een constructiefout in de bouw van het zwembad. Door het ontbreken van drainage ontstaat er (gevolg)schade die moet worden opgelost en die verder kan worden voorkomen door alsnog drainage aan te leggen.
3.7.
Bij e-mail van 3 april 2024 schrijft [partij B] aan [partij A] dat:
  • zij niet inhoudelijk in kan ingaan op geschillen tussen eindklanten en [partij B] dealers;
  • [partij A] het zwembad én de installatie daarvan bij Buitengewoon aangeschaft;
  • [partij B] [naam] heeft verzocht om contact op te nemen met [partij A] om te achterhalen waar de lekkage vandaan komt en om samen met u tot een goede oplossing te komen;
  • [naam] niet in dienst is bij [partij B], maar dat Buitengewoon, vertegenwoordigd door [naam], een dealer is van [partij B];
  • [naam] het eerste aanspreekpunt is voor [partij A].
3.8.
[partij A] informeert zowel [naam] als [partij B] over de gebreken aan het zwembad zoals een door hem ingeschakelde deskundige die heeft vastgesteld.
3.9.
Vervolgens stelt [partij A] [partij B] op 4 februari 2025 mede aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit de gebrekkige plaatsing van het zwembad.
3.10.
Op 20 maart 2025 sommeert [partij A] [naam] om over te gaan tot herstel van de door de deskundige vastgestelde gebreken. Als [naam] op 25 april 2025 nog niet heeft gereageerd, deelt [partij A] [naam] mee dat hij in verzuim is geraakt en dat een derde partij zal worden benaderd om op kosten van [naam] de herstelwerkzaamheden uit te voeren.
3.11.
Op 26 juni 2025 stelt [partij A] [partij B] nogmaals hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, die door de deskundige is begroot op circa € 100.000,-.
3.12.
[partij B] verzoekt [partij A] zijn stelling dat [partij B] aansprakelijk is te onderbouwen. In reactie daarop stuurt [partij A] een concept-dagvaarding, die uiteindelijk in definitieve vorm aan [partij B] is betekend.

4.Het geschil

In de hoofdzaak

4.1.
[partij B] vordert - samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [partij B] zich jegens [partij A] heeft bediend van oneerlijke handelspraktijken, haar precontractuele informatieplicht heeft geschonden en onrechtmatig heeft gehandeld. Ook vordert [partij A] voor recht te verklaren dat [partij B] al dan niet als gevolg van aan haar toe te rekenen schijn van volmacht gebonden is aan de overeenkomst die [partij A] met [naam] heeft gesloten inzake de koop/bouw/aanleg van het zwembad en dat [partij B] mede aansprakelijk is voor alle schade van [partij A] als gevolg van de ondeugdelijkheid of gebrekkigheid van het zwembad dan wel van de aanleg/bouw daarvan. Tot slot vordert [partij A] [partij B] te veroordelen in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
In het incident
4.2.
[partij B] verzoekt de rechtbank Overijssel om zich onbevoegd te verklaren tot kennisneming van de vordering van [partij A] en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, te verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.
Stellingen van partijen
4.3.
[partij B] betwist in het incident de stelling van [partij A] dat de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, relatief bevoegd is op grond van artikel 18 lid 1 van Pro Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), hierna Brussel I bis.
4.4.
[partij B] legt daaraan ten grondslag dat vereist is dat [partij A] valt te kwalificeren als een consument in de zin van Brussel I bis in een met [partij B] als wederpartij gesloten overeenkomst. Volgens [partij B] is van een tussen [partij A] en [partij B] gesloten overeenkomst geen sprake en vloeien de vorderingen zoals opgenomen in het petitum van de dagvaarding daaruit dan ook niet voort. Dat geldt ook voor de vordering dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [partij B] “al dan niet als gevolg van een aan haar toe te rekenen schijn van volmacht, gebonden is aan de overeenkomst die [partij A] met [naam] heeft gesloten (…)”. Want als er al sprake zou zijn van toerekenbare schijn, dan vloeit die voort uit omstandigheden, gelegen buiten de overeenkomst die [partij A] met een ander heeft gesloten, en dan brengt dat ook nog geen overeenkomst tussen [partij A] en [partij B] tot stand.
4.4.1.
Gelet hierop zijn de gewone regels van de relatieve bevoegdheid van toepassing en is de rechtbank van de vestigingsplaats van [partij B] als de gedaagde partij bevoegd van de vorderingen van [partij A] kennis te nemen. Dat is in dit geval de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. Er zijn geen overige bepalingen uit hoofde van het Eerste Boek, Derde Afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), die een andere rechtbank bevoegd maken.
4.5.
[partij A] stelt zich in het incident samengevat weergegeven op het standpunt dat hij als consument heeft gehandeld en dat de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, als rechtbank van zijn woonplaats, zowel op grond van artikel 18 lid 1 Brussel Pro I bis, als op grond van artikel 101 Rv Pro, bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Volgens [partij A] leent het bevoegdheidsincident zich niet voor bewijslevering en een inhoudelijke beoordeling van het materiële geschil, zodat het incident zich in dit geval niet leent voor de beantwoording van de vraag of [partij B] de contractspartij is dan wel op grond van toerekenbare schijn van volmacht (of enig andere grond) aan de door [partij A] gesloten overeenkomst is gebonden. Geen van beide bepalingen waarop [partij A] zich beroept vereisen ook dat al in het bevoegdheidsincident moet worden vastgesteld dat [partij B] de contractuele wederpartij van [partij A] is. Voldoende is dat niet op voorhand uitgesloten is dat sprake is van een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 18 Brussel Pro I bis, dan wel dat degene die zich op 101 Rv beroept, gemotiveerd stelt dat het geschil zijn oorsprong vindt in een consumentenrelatie. Daaraan stelt [partij A] te hebben voldaan.
Daarnaast wijst [partij A] erop dat zijn vorderingen niet uitsluitend contractueel van aard zijn, maar mede zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. Op grond van artikel 102 Rv Pro is rechtbank Overijssel, locatie Almelo, volgens [partij A] derhalve mede bevoegd als de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of waar de schade is ingetreden.
De beoordeling in het incident
4.6.
[partij A] doet een beroep op de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, primair op grond van artikel 18 lid 1 Brussel Pro I Bis, subsidiair op grond van artikel 101 Rv Pro en meer subsidiair op grond van 102 Rv.
4.7.
Artikel 18 lid 1 Brussel Pro I bis luidt als volgt:
De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.
Artikel 101 Rv Pro bepaalt:
In zaken betreffende een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is mede bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk verblijf van die natuurlijke persoon.
4.8.
Beide artikelen beogen hetzelfde: het versterken van de positie van de consument ten opzichte van hun professionele wederpartij door het voor de consument mogelijk te maken om de wederpartij voor de rechtbank van zijn woonplaats te dagen en het zo laagdrempeliger te maken om over hun rechten te procederen.
4.9.
Beide artikelen vereisen dat sprake is van een overeenkomst tussen de consument en zijn wederpartij. Dat [partij A] in dit geval als consument een of meer overeenkomsten heeft gesloten in het kader van de koop en aanleg van een zwembad is tussen partijen niet in geschil. Wel in geschil is of [partij B] de wederpartij van [partij A] is. [partij B] betwist dat zij de wederpartij van [partij A] is en [partij A] stelt dat [partij B] al dan niet als gevolg van aan haar toe te rekenen schijn van volmacht gebonden is aan de overeenkomst die [partij A] met [naam] heeft gesloten inzake de koop/bouw/aanleg van het zwembad. Daarbij stelt [partij A] dat niet in het incident, maar in de hoofdzaak definitief moet worden vastgesteld of [partij B] zijn wederpartij is in de zin van beide artikelen.
4.10.
Dat in het kader van het onderzoek naar de bevoegdheid inderdaad kan worden volstaan met een vrij marginale toets volgt uit een arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 [1] :
De rechter die in het kader van de toepassing van (de voorlopers van) de Verordening Brussel I bis onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt, dient zich bij dit onderzoek niet te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Het onderzoek naar de bevoegdheid aan de hand van de Unierechtelijke instrumenten mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende of verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering of verzoek [2] . Deze maatstaf geldt ook indien de Nederlandse rechter in het kader van de toepassing van de commune regels voor internationale rechtsmacht onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt [3] . Daarnaast blijkt uit de toelichting bij artikel 101 Rv Pro dat die regeling geldt voor alle mogelijke overeenkomsten tussen consumenten en professionele
wederpartijen [4] . Hierin ziet de rechtbank de bevestiging dat zowel op grond van de internationale als de nationale bevoegdheidsregels het daadwerkelijk bestaan van een overeenkomst in het kader van een bevoegdheidsincident vrij marginaal wordt getoetst.
4.11.
Brussel I bis is niet van toepassing op een puur nationale aangelegenheid. Het internationaliteitsvereiste staat niet met zoveel woorden in de tekst van de verordening, maar moet worden afgeleid uit haar aard en doelstelling [5] . Op basis van de incidentele vordering en de daarin aangedragen stellingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan de zaak een internationaal aspect kleeft. Zowel [partij A] als [partij B] zijn gevestigd in Nederland en de informatievoorziening en de levering en installatie van het zwembad hebben eveneens in Nederland plaatsgevonden. Dat [partij B] zich mogelijk heeft verbonden om te werken conform de kwaliteitseisen van het ProPiscines© label is naar het oordeel van de rechtbank geen grensoverschrijdend aspect dat in dit geschil de vaststelling van de bevoegdheid van gerechten in internationaal verband aan de orde kan stellen [6] . Dat Zwembaden [partij B] is gevestigd in de [plaats] in Frankijk, vormt evenmin een internationaal aspect, nu [partij B] zich in het incident niet op het standpunt heeft gesteld dat niet zij, maar Zwembaden [partij B] mogelijk de contractspartij van [partij A] is.
4.12.
De rechtbank zal haar bevoegdheid derhalve beoordelen aan de hand van artikel 101 Rv Pro.
4.13.
[partij A] heeft onder meer uitvoerig uiteengezet waarom [partij B] bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat wel met [partij B] een overeenkomst is gesloten dan wel waarom [partij B] als achterman aan de tussen [partij A] met [naam] gesloten overeenkomst is gebonden op grond van aan haar toe te rekenen schijn van volmacht ex 3:61 lid 2 BW. Naar het oordeel van de rechtbank valt in dit stadium van de procedure niet uit te sluiten dat [partij B] bij [partij A] de schijn van volmacht heeft gewekt. Dat die schijn mogelijk voortvloeit uit omstandigheden gelegen buiten de overeenkomst die [partij A] met een ander heeft gesloten doet daar niet aan af en staat er niet aan in de weg dat mogelijk tussen [partij A] en [partij B] een overeenkomst tot stand is gekomen. Dit is reeds voldoende om de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, bevoegd te achten om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. De vraag wiens stellingen juist zijn, zal in de hoofdprocedure beoordeeld moeten worden.
4.14.
De overige stellingen van partijen behoeve gelet hierop geen bespreking meer.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.
conclusie
4.16.
De rechtbank verklaart zich bevoegd van de vorderingen van [partij A]
kennis te nemen.
oordeel over de kosten van het incident
4.17.
[partij B] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [partij A] begroot op
€ 1.290,- (1 punt, tarief IV).

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vorderingen van [partij B] af,
5.2.
veroordeelt [partij B] in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] tot op heden begroot op € 1.290,-,
in de hoofdzaak
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 februari 2026 voor het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op
4 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566
2.HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), punt 58-65, en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 42-46; zie tevens HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, rov. 4.2.3.
3.HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.4-4.1.5
4.T&C Rv, commentaar op art. 101 Rv Pro
5.vgl. overwegingen 3 en 26 van de considerans van Brussel I bis
6.HvJ EU 08-02-2024, ECLI:EU:C:2024:123, r.o. 22, m.nt. C.G. van der Plas (Inkreal)