ECLI:NL:RBOVE:2026:517

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
08-220269-25, 08-273367-25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314a SvArt. 273f SrArt. 285b SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak brandstichting en criminele uitbuiting, veroordeling belaging met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van meerdere brandstichtingen, poging daartoe, stalking en criminele uitbuiting. De feiten betroffen branden aan auto's en stalking van de ex-partner en diens nieuwe vriendin.

De rechtbank oordeelde dat de brandstichtingen en poging daartoe niet bewezen konden worden wegens gebrek aan bewijs voor gemeen gevaar voor goederen of personen. Ook de tenlastegelegde criminele uitbuiting van een licht verstandelijk beperkte vriendin kon niet worden bewezen, mede omdat geen sprake was van misbruik van een kwetsbare positie of dwangmiddelen.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan belaging door stelselmatig en wederrechtelijk inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van de ex-partner en diens vriendin, met het oogmerk hen te dwingen of vrees aan te jagen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van tien maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, woonbegeleiding, dagbesteding, contact- en locatieverbod.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelden voor materiële en immateriële schade. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van brandstichting en criminele uitbuiting, maar veroordeeld voor belaging tot tien maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers : 08-220269-25 en 08-273367-25 (gevoegd ttz) (P)
Datum vonnis : 3 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] in [woonplaats] ,
nu verblijvende in de PI [locatie] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsvrouw mr. J.G. Oolderink-Olthof, advocaat in Enter, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en
[slachtoffer 3] ingediende slachtofferverklaringen en van wat door mr. S. Smid, advocaat in Enschede, namens benadeelde partij [slachtoffer 3] is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 20 januari 2026 als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
parketnummer 08-220269-25:
feit 1:op 8 juli 2025 in Almelo samen met anderen heeft geprobeerd om brand te stichten door een molotovcocktail in de richting van een bestelbus te gooien;
feit 2:op 16 juli 2025 in Almelo samen met anderen brand heeft gesticht door een molotovcocktail tegen een auto op een oprit te gooien;
feit 3:op 28 mei 2025 in Almelo samen met anderen brand heeft gesticht door aanmaakblokjes op het wiel van een auto op een oprit te leggen en deze in brand te steken;
feit 4:in de periode van 11 maart 2025 tot en met 16 juli 2025 in Almelo [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft gestalkt;
parketnummer 08-273367-25:
zich in de periode van 28 mei 2025 tot en met 16 juli 2025 schuldig heeft gemaakt aan criminele uitbuiting.
Voluit luiden de tenlasteleggingen aan verdachte, dat:
parketnummer 08-220269-25:
1
zij op of omstreeks 8 juli 2025 te Almelo,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen
misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,
terwijl daarvan
-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan
de [adres 2] en/of een of meer belendende percelen en/of in de nabijheid
van die woning geparkeerde auto's te duchten was en/of
-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de
bewoners van de [adres 2] , te weten dhr. [slachtoffer 1] en/of mw [slachtoffer 2]
en/of bewoners van belendende percelen te duchten was,
een molotovconcktail heeft/hebben gefabriceerd en/of die molotovcocktail in
brand heeft/hebben gestoken en in de richting heeft/hebben gegooid van de
bestelbus welke geparkeerd stond op de oprit van de [adres 2] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
zij op of omstreeks 16 juli 2025 te Almelo,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door
een molotovcocktail te fabriceren en/of open vuur in aanraking te brengen met
deze molotovcocktail en deze brandbom tegen een op de oprit van [adres 2] ,
geparkeerde auto te gooien tengevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is
verbrand, in elk geval brand is ontstaan terwijl daarvan
-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan
de [adres 2] en/of een of meer belendende percelen en/of in de nabijheid
van die woning geparkeerde auto's te duchten was en/of
-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de
bewoners van de [adres 2] , te weten dhr. [slachtoffer 1] en/of mw [slachtoffer 2]
en/of bewoners van belendende percelen te duchten was;
3
zij op of omstreeks 28 mei 2025 te Almelo,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht aan een
op de oprit van [adres 2] geparkeerde auto ( Opel Vivaro [kenteken] )
door een aantal aanmaakblokjes op het wiel van die auto te leggen en deze in brand
te steken, tengevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval
brand is ontstaan terwijl daarvan
-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan
de [adres 2] en/of een of meer belendende percelen en/of in de nabijheid
van die woning geparkeerde auto's te duchten was en/of
-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de
bewoners van de [adres 2] , te weten dhr. [slachtoffer 1] en/of mw [slachtoffer 2]
en/of bewoners van belendende percelen te duchten was;
4
zij in of omstreeks de periode van 11 maart 2025 t/m 16 juli 2025 te Almelo,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer,
te weten die van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , door
-liefdesbrieven onder de ruitenwisser van de auto van die [slachtoffer 1] te stoppen en/of
-liefdesbrieven per post te sturen aan die [slachtoffer 1] voornoemd en/of
-berichten te sturen via facebookmessenger naar familieleden van die [slachtoffer 1]
voornoemd waarin die [slachtoffer 1] in een kwaad daglicht werd gesteld en/of
-in de nachtelijke uren te posten in haar auto voor de woning van die [slachtoffer 1] en die
[slachtoffer 2] voornoemd waarbij zij een of meermalen op de deur van die woning
heeft gebonkt en/of
-valse melding te maken bij Veilig Thuis over de kinderen van die [slachtoffer 2]
voornoemd en/of
-valse meldingen te doen bij de politie over die [slachtoffer 1] voornoemd en/of
-door een whatsapp bericht aan een vriend van die [slachtoffer 1] voornoemd te sturen met
een melding aan de Fiod over het plegen van fraude door [slachtoffer 1] en/of
-een poging te doen een telefoonabonnement af te sluiten op naam van [slachtoffer 1]
en/of
-een foto van een galg via whatsapp naar die [slachtoffer 1] te sturen met de tekst "die dag
komt" en/of
-meermalen brand te stichten aan de auto's van voornoemde personen in de
nachtelijke uren,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] voornoemd en/of die [slachtoffer 2] voornoemd, te
dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
parketnummer 08-273367-25:
zij in of omstreeks de periode van 28 mei 2025 tot en met 16 juli 2025 te Almelo,
althans Nederland,
een ander, te weten [slachtoffer 3] ,
(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1 van artikel 273f Wetboek van
Strafrecht genoemde dwangmiddelen, te weten door misbruik van uit feitelijke
omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare
positie,
telkens
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht en/of gehuisvest met het oogmerk van
uitbuiting (lid 1 sub 1), en/of
2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van
arbeid of diensten dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, wist of
redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 3] zich daardoor beschikbaar zou
stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (lid 1 sub 4), en/of
3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 3]
( lid 1 sub 6)
immers heeft zij, handelingen verricht die (mede) hebben bestaan uit:
- het overhalen en/of voorstellen en/of de opdracht geven om brand te stichten of
ontploffingen teweeg te brengen en/of
- het verschaffen van een woon- en/of slaapplek en/of
- het meermalen vervoeren van die [slachtoffer 3] van en naar de locatie van de
brandstichting en/of ontploffing (aan de [adres 2] te Almelo),
terwijl zij wist dat die [slachtoffer 3] op een zeer laag verstandelijk niveau functioneert
en/of bang was om haar vriendschap met verdachte kwijt te raken en/of daardoor
erg beïnvloedbaar was,
waardoor die [slachtoffer 3] in een situatie is gebracht van uitbuiting van strafbare
activiteiten bestaande uit:
het plegen van meerdere brandstichtingen en/of het teweeg brengen van meerdere
ontploffingen,
terwijl die [slachtoffer 3] een kwetsbare persoon in een kwetsbare positie was (lid 3 sub 2),
omdat zij op een (zeer) laag verstandelijk niveau functioneert en (daardoor) erg
beïnvloedbaar was,
door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 3] een afhankelijkheidssituatie
is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge
waarvan zij geen weerstand heeft kunnen bieden aan verdachte.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Verdachte is getrouwd geweest met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). [slachtoffer 1] heeft inmiddels een andere partner, [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wonen samen aan de [adres 2]. Zij hebben aangifte gedaan van een poging tot brandstichting (feit 1), twee brandstichtingen (feiten 2 en 3) en stalking (feit 4).
Medeverdachte [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) was betrokken bij meldingen en incidenten rondom verdachte en [slachtoffer 1] .
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot parketnummer 08-220269-25 op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde onder 1, 2 en 3, met uitzondering van het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, en 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Volgens de officier van justitie kan voor het onder parketnummer 08-273367-25 tenlastegelegde, met uitzondering van het huisvesten (lid 1 sub 1), ook een bewezenverklaring volgen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
Met betrekking tot parketnummer 08-220269-25 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde onder 3, omdat de auto op 28 mei 2025 aan de overkant van de straat stond in plaats van op de oprit, zoals ten laste is gelegd.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde brandstichting en de poging daartoe aangevoerd dat de rol van verdachte beperkt was. Zo heeft zij niet zelf de branden aangestoken, en zij heeft [slachtoffer 3] daartoe evenmin instructies gegeven of onder druk gezet. Het initiatief tot het stichten van de branden lag bij [slachtoffer 3] . Van medeplegen is dus geen sprake.
Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het risico op levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel beperkt was, omdat de oprit niet direct naast het huis is gelegen.
De raadsvrouw heeft met betrekking tot voormeld parketnummer verder bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 4 tenlastegelegde belaging. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de vereiste stelselmatigheid ontbreekt en ook het oogmerk: verdachte had niet tot doel om [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] angst aan te jagen. Er was uitsluitend sprake van emotioneel handelen vanuit een echtscheidingssituatie en verdachte wilde enkel verhaal halen bij [slachtoffer 1] .
Met betrekking tot parketnummer 08-273367-25 heeft de raadsvrouw ook vrijspraak bepleit.
Volgens de raadsvrouw had verdachte geen machtspositie ten opzichte van [slachtoffer 3] . In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat verdachte zelf licht verstandelijk beperkt is en ten tijde van de tenlastegelegde feiten in een emotioneel kwetsbare positie verkeerde. Het is dus niet zo dat verdachte [slachtoffer 3] heeft kunnen aansturen. Verdachte heeft [slachtoffer 3] ook niet gedwongen of gemanipuleerd. Integendeel, het initiatief lag telkens bij [slachtoffer 3] en verdachte is meegegaan in haar plan. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op uitbuiting en zij heeft ook geen (financieel) voordeel genoten.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummer 08-220269-25
Feiten 1 tot en met en 3
3.4.1
De vaststelling van de feiten en omstandigheden
Op 28 mei 2025 heeft de eerste brand aan [adres 2] plaatsgevonden, waardoor de auto van [slachtoffer 2] , schade heeft opgelopen aan het linker voorwiel. Er waren aanmaakblokjes op dit wiel gelegd en aangestoken.
Op 8 juli 2025 is geprobeerd om brand te stichten met een molotovcocktail. In de voortuin nabij de auto van [slachtoffer 1] lag een bierfles met daarin een doorzichtige substantie in die rook naar benzine. Uit het flesje kwam een lont, waarvan het uiteinde brandsporen had. Die auto stond op de oprit voor de woning.
Op 16 juli 2025 vond de tweede brand plaats. De auto van [slachtoffer 1] stond op de oprit voor de woning en brandde. [slachtoffer 1] heeft de brand geblust. Op de grond, naast het linker achterwiel van de auto, zag hij een kapot bierflesje liggen met een wit doekje erin. [slachtoffer 1] rook een sterke benzinegeur.
Uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard en de verklaring van [slachtoffer 3] , blijkt dat verdachte en [slachtoffer 3] beiden telkens betrokken waren bij deze branden. Verdachte heeft de aanmaakblokjes gekocht en de benodigdheden voor het maken van de molotovcocktails geregeld, te weten de benzine, de oude lappen en – ten aanzien van de poging op 8 juli 2025 – ook het bierflesje. Verdachte en [slachtoffer 3] hebben de molotovcocktails bij verdachte thuis gemaakt, waarbij verdachte de benzine in de flesjes goot. Voor beide brandstichtingen en de poging daartoe geldt dat verdachte en [slachtoffer 3] met de auto in de richting van [adres 2] zijn gereden. Verdachte liet [slachtoffer 3] in de nabijheid uitstappen, waarna [slachtoffer 3] de aanmaakblokjes op de autoband heeft gelegd en heeft aangestoken en de molotovcocktails in de richting van de auto op de oprit heeft gegooid. [slachtoffer 3] liep vervolgens terug naar de auto om samen met verdachte weer weg te rijden.
3.4.2
De overwegingen van de rechtbank
3.4.2.1 Medeplegen verdachte en [slachtoffer 3]
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor aan feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, hebben verdachte en [slachtoffer 3] allebei een bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is geweest om te concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen, zoals ten laste is gelegd. In dit verband is niet relevant wie uiteindelijk daadwerkelijk de brand heeft gesticht of dat heeft geprobeerd te doen.
3.4.2.2 Gemeen gevaar voor goederen of personen
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of als gevolg van de brandstichtingen en de poging daartoe gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar
voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Voor het kunnen vaststellen of sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen, dat zich dient uit te strekken tot andere roerende of onroerende goederen dan het goed waarin brand wordt gesticht, moeten concrete aanwijzingen zijn. De rechtbank stelt in dit verband vast dat het dossier geen proces-verbaal forensisch onderzoek, of ander geschrift, bevat, waaruit blijkt wat de exacte situatie ter plaatse was, in het bijzonder – met betrekking tot 28 mei 2025 – of er voertuigen nabij de betreffende auto stonden en – met betrekking tot 8 en 16 juli 2025 – wat de afstand was van de molotovcocktails en de auto tot de woning aan de [adres 2] en naastgelegen percelen. Ook is niet duidelijk geworden hoe lang of krachtig de aanmaakblokjes en molotovcocktails hebben gebrand of hadden kunnen branden, in hoeverre de auto hierdoor beschadigd is geraakt en of de branden zich verder hadden kunnen ontwikkelen en overslaan. Over het ontbreken van een proces-verbaal forensisch onderzoek heeft de officier van justitie tijdens de terechtzitting opgemerkt dat zij de politie hierover vragen heeft gesteld. Hierop is haar meegedeeld dat verbalisanten niet ter plaatse aanwezig waren en ook nadien niet een dergelijk proces-verbaal konden opmaken, omdat de foto’s in het dossier onvoldoende duidelijk zijn. Zij zouden daarom slechts kunnen vervallen in het verbaliseren van algemeenheden, waarbij zij zouden moeten gissen over de gevolgen. De rechtbank is van oordeel dat zij op basis van diezelfde (onduidelijke) foto’s evenmin kan vaststellen of op 28 mei 2025, 8 of 16 juli 2025 gemeen gevaar voor goederen – anders dan het betreffende voertuig – te duchten was. Dit brengt met zich dat het tenlastegelegde delictsbestanddeel gemeen gevaar voor goederen niet bewezen kan worden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het tenlastegelegde levensgevaar voor personen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel evenmin worden bewezen. Daarvoor is, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, namelijk vereist dat kan worden vastgesteld dat dit gevaar daadwerkelijk te duchten was. Dit houdt in dat het gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat ook daarvan, wegens gebrek aan informatie hierover in het dossier, niet is gebleken.
Conclusie ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank niet bewezen wat onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.
Overigens is de rechtbank van oordeel dat de brandstichtingen en de poging daartoe telkens een zeer (be)dreigende situatie voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben opgeleverd die eveneens tot vernielingen van goederen hebben geleid, maar zij constateert dat dergelijke strafbare feiten verdachte niet (subsidiair) ten laste zijn gelegd.
Feit 4
3.4.3
De vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft bekend vanaf 11 maart 2025 meerdere malen en op verschillende manieren contact te hebben gezocht met [slachtoffer 1] , aanvankelijk omdat zij hem terug wilde. Het begon met het plaatsen van liefdesbrieven onder de ruitenwisser van de auto. Daarna verstuurde ze brieven per post. Ook heeft zij in haar auto een hele nacht voor de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gepost, waarbij zij meerdere malen op de deur van die woning heeft gebonkt. Nadien namen de handelingen van verdachte in ernst en impact toe. Verdachte heeft de vader en een oom van [slachtoffer 1] in Turkije via facebookmessenger geïnformeerd dat [slachtoffer 1] vreemd zou gaan. Ook heeft zij een valse melding gedaan bij Veilig Thuis over de kinderen van [slachtoffer 2] , heeft zij via whatsapp aan een vriend van [slachtoffer 1] een screenshot gestuurd van een melding bij de FIOD over het plegen van fraude door [slachtoffer 1] en heeft zij via whatsapp een foto van een galg naar [slachtoffer 1] gestuurd met de tekst ‘die dag komt’. Verdachte heeft uiteindelijk, zoals de rechtbank hiervoor uiteen heeft gezet, meerdere malen de auto van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] in brand gestoken of dat op z’n minst geprobeerd. Zij deed dit telkens in de nacht.
Verdachte heeft ontkend dat zij heeft geprobeerd om een telefoonabonnement af te sluiten op naam van [slachtoffer 1] en dat zij
valsemeldingen over hem heeft gedaan bij de politie, zoals ten laste is gelegd. Het dossier bevat hiervoor, behoudens de aangifte, geen bewijsmiddelen, zodat de rechtbank verdachte hiervan partieel zal vrijspreken.
Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd. Voor een bewezenverklaring van belaging is nodig dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander, met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.
Wederrechtelijkheid
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van meet af aan niet hebben gereageerd op de brieven van verdachte. Ook het nachtelijke posten, en daarbij bonken op de deur, heeft geen reactie bij hen uitgelokt. De politie heeft verdachte die betreffende ochtend verzocht om te vertrekken en [slachtoffer 1] met rust te laten. Het is hiermee voor verdachte duidelijk geweest, althans dat had het moeten zijn, dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen contact met haar wilden. Naar het oordeel van de rechtbank staat gelet hierop, maar ook gezien de aard en omvang van het verdere contact, de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte vast.
Stelselmatigheid
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van de vereiste stelselmatigheid zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte gedurende een periode van ruim vier maanden contact heeft gezocht met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het sturen van brieven, posten en daarbij bonken op de deur en sturen van een foto via whatsapp. Niet vereist is dat elk van deze handelingen afzonderlijk op stelselmatige wijze heeft plaatsgehad, maar de contacten moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Deze contacten waren indringend en obsessief van aard. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in diskrediet gebracht bij familieleden en een vriend respectievelijk bij Veilig Thuis. De branden en de poging daartoe die nadien volgden, waren zeer dreigend van aard. [slachtoffer 2] heeft in de aangifte van 7 augustus 2025 uiteengezet wat het handelen van verdachte met haar en [slachtoffer 1] heeft gedaan. Ze zijn erg angstig geworden in hun eigen woning en worden dagelijks belemmerd in hun doen en laten. Zo hebben ze last van nachtmerries en stress. [slachtoffer 2] kon zich hierdoor niet meer focussen op haar werk en is daardoor haar baan kwijtgeraakt. [slachtoffer 1] heeft, als gevolg van de stress, lichamelijke klachten.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte met haar gedrag, zoals hiervoor weergegeven, stelselmatig een grove inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Oogmerk
De rechtbank is van oordeel dat verdachte het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] haar handelingen te laten dulden en hen vrees aan te jagen. Immers, door het gedurende een periode van ruim vier maanden sturen van brieven en berichten en op andere wijze contact zoeken, hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] er niet voor kunnen kiezen daaraan te ontkomen. Enkele berichten, maar bovenal de brandstichtingen en poging daartoe, waren bovendien dreigend van aard.
Conclusie ten aanzien van feit 4
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de valse meldingen bij de politie en het proberen af te sluiten van een telefoonabonnement op naam van [slachtoffer 1] .
Parketnummer 08-273367-25
Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1º, 4º en 6º van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) door, samengevat, een vriendin genaamd [slachtoffer 3] uit te buiten door haar door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie te dwingen meerdere brandstichtingen te plegen.
Toetsingskader mensenhandel
In het ten laste gelegde wordt verdachte op meerdere onderdelen verwijten gemaakt. De rechtbank zet het kader per onderdeel uiteen.
Dwangmiddelen en handelingen (sub 1)
Het eerste onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr ziet op het – door middel van een (dwang)middel – werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander.
De in het eerste lid sub 1 genoemde (dwang)middelen zijn dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft. De inzet van een dwangmiddel moet ertoe leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep) belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
De handelingen omschreven in sub 1 (het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander) zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. Niet is vereist dat de ander daadwerkelijk is uitgebuit.
Het verrichten van arbeid of diensten (sub 4)
Het vierde onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd.
In de delictsomschrijving van dit vierde onderdeel ontbreekt de term ‘uitbuiting’ of het ‘oogmerk van uitbuiting’ als bestanddeel. Dat de verdachte met zijn gedraging(en) als bedoeld in het vierde onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr het ‘oogmerk van uitbuiting’ heeft gehad, hoeft daarom niet in de bewijsvoering komen vast te staan. [1] Die gedragingen kunnen echter pas als ‘mensenhandel’ worden gekwalificeerd als uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. ‘Uitbuiting’ moet daarom worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4° Sr. [2]
Voordeel trekken (sub 6)
Het zesde onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr stelt het profijt trekken uit de uitbuiting van een ander strafbaar. Voor een veroordeling is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander. [3] Een dwangmiddel is hier niet nodig.
De vraag ten slotte of en, zo ja, wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f, eerste lid, Sr is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren moeten de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader worden gehanteerd.
Overwegingen van de rechtbank
Dwangmiddelen: misbruik van kwetsbare positie en overwicht
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of sprake was van een kwetsbare positie bij [slachtoffer 3] waarvan verdachte misbruik heeft gemaakt, dan wel of verdachte misbruik van [slachtoffer 3] heeft gemaakt vanuit enig overwicht dat zij op haar had.
Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 3] licht verstandelijk beperkt is en een zorgprofiel VG6 heeft. Dit houdt in dat zij intensieve begeleiding en (voortdurende) gedragsregulering nodig heeft. [slachtoffer 3] verblijft bij [zorginstelling] en ontvangt daar 24-uurs begeleiding. [begeleider] , senior begeleider bij [zorginstelling] , omschrijft [slachtoffer 3] als een heel kwetsbaar, goedgelovig en heel afhankelijk persoon.
Verdachte heeft verklaard te hebben gemerkt dat [slachtoffer 3] een achterstand heeft. Zij was zich dus bewust van [slachtoffer 3] kwetsbaarheid.
Uit het dossier, in het bijzonder het reclasseringsadvies van 14 november 2025, blijkt ten aanzien van verdachte zelf dat zij met een 95%-waarschijnlijkheidsinterval met een IQ-waarde tussen de 56 en 66, op een licht verstandelijk beperkt niveau presteert. Zij is mogelijk beïnvloedbaar door anderen en kan, door haar verstandelijke beperking, de gevolgen van haar handelen moeilijk overzien.
De rechtbank leidt hieruit af dat tussen verdachte en [slachtoffer 3] in zekere zin sprake is van gelijkwaardigheid. Dat verdachte overwicht op [slachtoffer 3] heeft gehad en hiervan misbruik heeft gemaakt, is de rechtbank niet gebleken en kan op basis van het dossier ook niet worden vastgesteld. Uit het overige in het dossier is de rechtbank evenmin gebleken dat verdachte, hoewel daarmee bekend, misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer 3] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dwangmiddelen, zoals tenlastegelegd, zich hier niet voordoen.
Handelingen (sub 1)
Voor de volledigheid bespreekt de rechtbank ook of verdachte handelingen heeft verricht gericht op het uitbuiten van [slachtoffer 3] .
Verdachte en [slachtoffer 3] hebben allebei verklaard vriendinnen van elkaar te zijn. Verdachte heeft verklaard dat de vriendschap zes jaar geleden is begonnen. Ze leerden elkaar kennen via een buurman van verdachte, met wie [slachtoffer 3] een relatie had. Na het verbreken van die relatie is [slachtoffer 3] een half jaar bij verdachte komen wonen. Daarna is [slachtoffer 3] onder begeleiding van [zorginstelling] komen te staan. Verdachte en [slachtoffer 3] bleven elkaar zeer geregeld zien. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 3] altijd bij haar kwam. Soms kwam dat verdachte even niet uit en ging [slachtoffer 3] terug naar [zorginstelling] , maar dan belde [slachtoffer 3] haar al snel huilend op en kwam ze weer langs. Verdachte heeft verder verklaard dat zij [slachtoffer 3] soms vroeg om in de nacht met de auto naar het tankstation te gaan: om te tanken en om iets te eten en soms ook wat te drinken. Verdachte bracht [slachtoffer 3] nadien weer terug. Volgens [begeleider] sliep [slachtoffer 3] sinds twee maanden voor de arrestatie ook weer bij verdachte thuis.
Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte en [slachtoffer 3] al jarenlang vriendinnen zijn. Zelfs al voordat verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar gehuwd zijn (in 2023), waren [slachtoffer 3] en zij al bevriend. Uitgesloten is dat verdachte [slachtoffer 3] destijds heeft geworven om haar zes jaren later te bewegen de branden te stichten op 28 mei 2025, en 8 en 16 juli 2025. Van het tenlastegelegde verwerven met een oogmerk van criminele uitbuiting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Naar het oordeel van de rechtbank is van het tenlastegelegde vervoeren en overbrengen evenmin sprake. Weliswaar heeft verdachte [slachtoffer 3] op voormelde data met de auto afgezet nabij [adres 2] , de locatie van de branden, maar uit bovenstaande verklaringen blijkt dat verdachte en [slachtoffer 3] wel vaker (nachtelijke) autoritjes met elkaar maakten.
Dat geldt ook voor het tenlastegelegde huisvesten. [slachtoffer 3] sliep kort voorafgaand aan de brandstichtingen bij verdachte thuis, maar [slachtoffer 3] kwam voortdurend bij verdachte thuis en heeft een half jaar bij haar ingewoond. De rechtbank is niet gebleken dat verdachte daarbij als doel had om [slachtoffer 3] op een later moment in te zetten voor het laten plegen van brandstichtingen.
Gelet hierop kan niet worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 3] door middel van een dwangmiddel heeft geworven, vervoerd, overgebracht en/of gehuisvest als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1° Sr, laat staan dat de verdachte dat zou hebben gedaan met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het eerste onderdeel van de tenlastelegging.
Het verrichten van arbeid of diensten (sub 4)
De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat de tenlastegelegde dwangmiddelen niet aan de orde zijn. Om die reden alleen al kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van het vierde onderdeel van artikel 273f Sr.
Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank van dwang, eveneens een wezenlijk bestanddeel van het vierde onderdeel, niet is gebleken. In dit verband overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij zich gedwongen voelde om de brandstichting op 28 mei 2025 te plegen. Verdachte zou tegen haar hebben gezegd dat zij haar anders zou neerschieten. Verdachte heeft dat ontkend, terwijl het dossier geen ander bewijsmiddel, bijvoorbeeld de inhoud van de chatgesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 3] , bevat ter ondersteuning van de verklaring van [slachtoffer 3] . Uit de in het dossier aanwezige chatgesprekken blijkt ook niet van enige mate van dwang.
Dit brengt met zich dat de rechtbank verdachte ook vrijspreekt van het vierde onderdeel van
de tenlastelegging.
Voordeel trekken (sub 6)
Resteert de vraag of verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 3] .
De rechtbank is van oordeel dat ook op deze vraag een ontkennend antwoord moet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende bewijs voor uitbuiting, laat staan dat verdachte daar financieel of enig ander voordeel uit heeft getrokken.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het tenlastegelegde niet bewezen, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot parketnummer
08-220269-25 het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij inof omstreeksde periode van 11 maart 2025 tot en met 16 juli 2025 te Almelo,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer,
te weten die van [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 1] , door
-liefdesbrieven onder de ruitenwisser van de autovan die [slachtoffer 1]te stoppen en/of
-liefdesbrieven per post te sturen aan die [slachtoffer 1] voornoemd en/of
-berichten te sturen via facebookmessenger naar familieleden van die [slachtoffer 1]
voornoemd waarin die [slachtoffer 1] in een kwaad daglicht werd gesteld en/of
-in de nachtelijke uren te posten in haar auto voor de woning van die [slachtoffer 1] en die
[slachtoffer 2] voornoemd waarbij zijeen ofmeermalen op de deur van die woning
heeft gebonkt en/of
-valse melding te maken bij Veilig Thuis over de kinderen van die [slachtoffer 2]
voornoemd en/of
-valse meldingen te doen bij de politie over die [slachtoffer 1] voornoemd en/of
-door een whatsapp bericht aan een vriend van die [slachtoffer 1] voornoemd te sturen met
een melding aan de Fiod over het plegen van fraude door [slachtoffer 1] en/of
-een poging te doen een telefoonabonnement af te sluiten op naam van [slachtoffer 1]
en/of
-een foto van een galg via whatsapp naar die [slachtoffer 1] te sturen met de tekst "die dag
komt" en/of
-meermalen brand te stichten aan de auto's van voornoemde personen in de
nachtelijke uren,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] voornoemd en/ofdie [slachtoffer 2] voornoemd, te
dwingen ietste doen, niet te doen, te dulden en/ofvrees aan te jagen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 285b Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 08-220269-25
feit 4
het misdrijf:
belaging.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Daarnaast heeft zij gevorderd dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr zal worden opgelegd.
Tot slot heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en een locatieverbod in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr gevorderd voor de duur van vijf jaren. Daarbij moet vervangende hechtenis van veertien dagen worden bevolen voor iedere keer dat niet aan die maatregel wordt voldaan. Voor wat betreft het locatieverbod moet worden aangesloten bij de straten in [plaats], zoals die op pagina 4 van het reclasseringsadvies van 14 november 2025 worden genoemd. De officier van justitie heeft gevorderd te bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de voorlopige hechtenis diepe indruk op verdachte heeft gemaakt. Die tijd heeft geleid tot inzicht en reflectie bij verdachte. Zij is gemotiveerd om aan zichzelf te werken en begeleiding te aanvaarden. Het risico op
herhaling, dat niet hoog wordt ingeschat, kan goed worden ondervangen met voorwaarden.
Een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist, voegt daar niets aan toe. Bovendien staat de geëiste straf niet in verhouding met verdachtes aandeel in de gebeurtenissen en de omstandigheden in het dossier. Volgens de raadsvrouw volstaat het om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis. Een voorwaardelijke straf zou eventueel kunnen dienen als stok achter de deur, aldus de raadsvrouw.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zich in het kader van echtscheidingsproblematiek schuldig gemaakt aan belaging van haar ex-partner en zijn nieuwe vriendin. De belaging nam een periode van ruim vier maanden in beslag en bestond onder meer uit het versturen van liefdesbrieven, posten voor de woning, in diskrediet brengen van haar ex-partner bij zijn familie en het doen van (valse) meldingen. De situatie is uiteindelijk geëscaleerd, in die zin dat verdachte, samen met een ander, op enig moment een auto van haar ex-partner of zijn vriendin in brand heeft gestoken. Enkele weken later hebben verdachte en die ander nogmaals geprobeerd brand te stichten, door een zelfgemaakte molotovcocktail in de richting van de auto van haar ex-partner te gooien. Weer enige dagen later hebben verdachte en die ander opnieuw een molotovcocktail gegooid tegen die auto, waardoor wederom brand was ontstaan. Hoewel er, zoals hiervoor is overwogen, geen bewijsmiddelen zijn waaruit het gevaar voor goederen en personen blijkt, zijn brandstichtingen wel degelijk zeer bedreigend. Er is daarmee sprake van gedragingen van verdachte die in ernst en impact toenamen. Het is maar de vraag of verdachte was gestopt met de belaging als de politie haar niet had aangehouden.
Door haar handelen heeft verdachte op zeer indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt hoeveel impact het gedrag van verdachte op hun leven heeft gehad. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 23 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte weliswaar eerder, maar niet recent en bovendien niet voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 14 november 2025. Hierin staat dat de belaging gerelateerd is aan de scheiding van verdachte met haar ex-partner en daarmee gepaard gaande traumaklachten. Het vergroten van inzicht en probleembesef zou bijdragen aan het verlagen van de kans op recidive, die door de reclassering als gemiddeld wordt ingeschat. Op de lange termijn is het wenselijk dat betrokkene haar scheiding kan verwerken en andere keuzes leert maken in plaats van te vervallen in delictgedrag. De reclassering adviseert de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, woonbegeleiding, dagbesteding, locatieverbod (met elektronische monitoring) en contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] als vrijheidsbeperkende maatregel met dadelijke uitvoerbaarheid.
Gevangenisstraf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de ernst van het feit de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hoewel verdachte ter zitting spijt heeft betuigd, wekt haar verdere houding ter zitting niet de indruk dat zij daadwerkelijk de ernst van haar gedragingen inziet. Dit baart de rechtbank zorgen en vormt een belangrijke reden om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank acht het in dit geval noodzakelijk om ook in te zetten op hulpverlening en zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden is. Omdat verdachte al zes maanden in voorarrest heeft gezeten, hoeft zij niet terug naar de gevangenis.
De rechtbank zal de duur van de proeftijd op drie jaren bepalen.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. De rechtbank heeft hierbij de toenemende mate van de ernst van de belaging in aanmerking genomen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de kans op recidive gemiddeld is zonder behandeling, en dat verdachte nog geen behandeling heeft gehad.
De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Maatregel ex artikel 38v Sr
Tot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contact- en locatieverbod. Door het opleggen van een contact- en locatieverbod in deze vorm kan verdachte iedere keer dat zij dit overtreedt direct worden afgestraft. Omdat de rechtbank het van belang acht dat verdachte ervan doordrongen raakt dat zij de slachtoffers met rust moet laten, zal de rechtbank de duur van de maatregel gelijkstellen aan de duur van de proeftijd, te weten drie jaren. Voor iedere keer dat verdachte het contact- of locatieverbod overtreedt, zal vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen worden opgelegd, waarbij de maximale hechtenis zes maanden bedraagt.
Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze (direct of indirect) contact
mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1982, en [slachtoffer 2]
, geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1984.
Het locatieverbod ziet op het gebied in [plaats] gelegen tussen [adressen] , welk gebied is gemarkeerd op de kaart die als bijlage locatieverbod bij de vonnis is opgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er – gelet op al wat hiervoor al is overwogen – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

7.De schade van benadeelden

Parketnummer 08-220269-25
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
In de zaak met parketnummer 08-220269-25 hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als
benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.
[slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
[slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 877,25 aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag ziet op het aanschaffen en installeren van camerabeveiliging. Ook heeft [slachtoffer 2] een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade gevorderd. In totaal heeft [slachtoffer 2] dus een bedrag van € 5.877,25 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde moet worden toegewezen. De officier van justitie heeft daarnaast verzocht om telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen dan wel dat een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. In dit verband heeft zij aangevoerd dat het vermeende geestelijk letsel niet objectief is vast te stellen, omdat enige concrete onderbouwing hiervan ontbreekt. Volgens de raadsvrouw ontbreekt ten aanzien van de door [slachtoffer 2] gevorderde materiële schade het vereiste causaal verband. Uit de overgelegde factuur blijkt namelijk dat de camerabeveiliging op 2 april 2025 is aangeschaft, welke datum ligt voor de eerste brand op 28 mei 2025. Ook dit deel van de vordering moet niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel worden afgewezen, aldus de raadsvrouw.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te
staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. Hieronder gaat de rechtbank afzonderlijk in op de door hen gevorderde materiële en/of immateriële schade.
7.4.1
De door [slachtoffer 2] gevorderde materiële schade
Bewezen verklaard is dat verdachte zich van 11 maart 2025 tot en met 16 juli 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging. De rechtbank stelt vast dat de camerabeveiliging gedurende deze periode, namelijk op 2 april 2025, is aangeschaft. Zij is dan ook van oordeel dat het causaal verband tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit aanwezig is. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 877,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025.
7.4.2
De door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade
De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:106, aanhef, en sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) drie categorieën geeft waarin een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen smartengeldvergoeding, namelijk als verdachte het oogmerk had tot toebrengen van de schade (a), als sprake is van aantasting in de persoon (b) of als sprake is van aantasting van de nagedachtenis van een overledene (c). Onder sub b vallen drie verschijningsvormen; lichamelijk letsel (1), aantasting van eer en goede naam (2) en aantasting in de persoon op andere wijze (3).
Voor toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op punt 3 is het uitgangspunt dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Geestelijk letsel levert in het algemeen pas een aantasting in de persoon op zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro als bij het slachtoffer sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het moet in elk geval gaan om ‘naar objectieve maatstaven’ vast te stellen psychische klachten ontstaan in verband met de omstandigheden van het geval. Een enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank is van oordeel dat de ingediende vorderingen vallen binnen de categorie aantasting in de persoon op andere wijze. Zoals hiervoor is uiteengezet kan een aantasting in de persoon op andere wijze worden aangenomen als er sprake is van geestelijk letsel dat voldoende concreet en naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Met de onderbouwing van de vorderingen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] psychische klachten zijn ontstaan in verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade rekening gehouden met de zogenoemde Rotterdamse schaal. De rechtbank stelt de schade naar billijkheid vast op € 4.000,00. De rechtbank zal het gevorderde daarom telkens toewijzen tot een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025. De rechtbank zal [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de
schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 40 dagen gijzeling voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 1] en met 48 dagen gijzeling voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 2] , waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Parketnummer 08-273367-25
7.6
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
In de zaak met parketnummer 08-273367-25 heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces en een totaalbedrag van € 7.888,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder voormeld parketnummer tenlastegelegde mensenhandel. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk is in haar vordering.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 38w Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het met betrekking tot parketnummer 08-220269-25 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en met betrekking tot parketnummer 08-273367-25 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het met betrekking tot parketnummer 08-220269-25 onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
parketnummer 08-220269-25
feit 4
het misdrijf:
belaging;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, [adres 3], op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
- zich ambulant laat behandelen door [zorginstelling] in Almelo of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de huisregels en aanwijzingen die door of namens de leiding van de zorgverlener zullen worden gegeven. Hieronder kan ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- zich laat begeleiden door Humanitas Homerun of een soortgelijke begeleidingsinstantie voor het bieden van ondersteuning op diverse leefgebieden, te bepalen door de reclassering. De begeleiding wordt gestart bij aanvang van het toezicht. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
- meewerkt aan het vinden en behouden van dagbesteding met een vaste structuur;
- op geen enkele wijze contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer 1] , geboren op
2 februari 1982, en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1984;
- zich niet ophoudt in [plaats] in het gebied gelegen tussen [adressen] (bijlage locatieverbod). Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod, zolang de reclassering deze nodig vindt. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van
3 (drie) jaren;
- beveelt dat de verdachte gedurende 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1982, en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1984;
- beveelt dat de verdachte zich gedurende 3 jaren niet ophoudt in [plaats] in het gebied gelegen tussen [adressen] (bijlage locatieverbod);
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door
14 (veertien) dagenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 1](parketnummer 08-220269-25, feit 4) toe tot een bedrag van € 4.000,00 (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.000,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 2](parketnummer
08-220269-25, feit 4) toe tot een bedrag van € 4.877,25 (bestaande uit € 4.000,00 immateriële schade en € 877,25 materiële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 4.877,25, waarvan € 4.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 en € 877,25 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.877,25, waarvan
€ 4.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 en € 877,25 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 48 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.000,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de
benadeelde partij [slachtoffer 3](parketnummer 08-273367-25) in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. A.F. Germs - de Goede en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Parketnummer 08-220269-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025350195. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 4
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, houdt voor dat uit het dossier blijkt dat ik op 22 april 2025 voor de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heb gestaan. Ik betrapte hem er toen op dat hij bij [slachtoffer 2] was. Ik heb mijn auto verderop gezet en ben naar hun huis gelopen. Ik heb op de ramen gebonkt en gevraagd of [slachtoffer 1] naar buiten kon komen om te praten. Ik heb gewacht en daarna weer op de ramen gebonkt. Hij kwam niet uit het huis. Ik heb gewacht tot acht uur ’s ochtends. Toen kwam de politie en die vroeg mij om weg te gaan en hem met rust te laten.
U, voorzitter, vraagt of ik brieven achter de ruitenwissers heb gestopt en later brieven per post heb gestuurd, omdat ik [slachtoffer 1] terug wilde. Dat heb ik gedaan, maar het waren geen dreigbrieven. Ik heb haar ook een brief gestuurd, omdat hij een afspraak met mij heeft gehad zonder dat tegen haar te zeggen. Ik wilde haar voor hem waarschuwen. Ik kreeg geen antwoord op mijn brieven. Ik had toen wel door dat ik hem niet meer terug zou krijgen en het klaar was.
U, voorzitter, vraagt of ik via Facebook berichten naar familieleden van [slachtoffer 1] heb gestuurd. Dat heb ik gedaan. Ik heb hen uit boosheid geïnformeerd dat [slachtoffer 1] , hoewel nog getrouwd, met iemand anders omging. Hij is zwaar moslim en volgens de islam mag dat niet. Je moet eerst scheiden. Ik heb met zijn vader en een oom van hem gepraat. Ik wist dat het negatieve gevolgen voor [slachtoffer 1] kon hebben. Dat was bewust.
U, voorzitter, vraagt of ik een melding bij Veilig Thuis heb gedaan. Ja, uit woede. Toen ik door de politie werd weggestuurd, ben ik naar huis gereden en heb ik gelijk Veilig Thuis gebeld en ook de FIOD. Die melding bij Veilig Thuis had te maken met de kinderen van [slachtoffer 2] . Ik weet dat Veilig Thuis actie onderneemt naar aanleiding van zulke meldingen, maar ik was boos, echt woedend. Ik heb de FIOD bericht dat [slachtoffer 1] zwart werkte.
U, voorzitter, vraagt of ik foto’s van een galg naar [slachtoffer 1] heb gestuurd. Ja.
U, voorzitter, houdt voor dat de brandstichtingen ook onderdeel zijn van de stalking. U vraagt mij of ik in de nacht van 28 mei 2025 met [slachtoffer 3] richting [adres 2] ben gereden, haar heb laten uitstappen en haar later weer heb opgepikt. Dat klopt.
U, voorzitter, vraagt of ik wist dat [slachtoffer 3] in de tussentijd brand ging stichten door aanmaakblokjes op de autoband te leggen. Ja, dat wist ik.
U, voorzitter, vraagt of ik betrokken was bij de brand van 8 juli 2025. Ja, ik en [slachtoffer 3] hebben de molotovcocktail toen bij mij thuis gemaakt. Op 16 juli 2025 ging dat ook zo. Ik heb beide keren de flesjes gevuld met benzine. De textiel was ook van mij afkomstig. Het bierflesje voor de eerste brand was van mijn schoonzoon. De tweede keer had Margarita het bierflesje zelf gekocht.
U, voorzitter, houdt mij voor dat er camerabeelden in het dossier zitten waaruit blijkt dat mijn auto op beide data stopte nabij [adres 2] en er een persoon uitstapte. Ik bestuurde op 8 en 16 juli 2025 de auto en stopte om Margarita uit te laten stappen.
2. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 7 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 200 tot en met 204:
Feit : stalking
Plaats delict : [adres 2]
Vanaf 11 maart 2025 begon [verdachte] ons te stalken. Ze begon met brieven sturen die gericht waren aan [slachtoffer 1] . Ze begon gelijk in maart met brieven achter de ruitenwissers van mijn auto te doen. (…) Ik zag dat het liefdesbrieven waren die zij richtte aan "mijn liefste" of "mijn man". Op de envelop zag ik de naam van [slachtoffer 1] staan met mijn adres eronder. (…) Toen [slachtoffer 1] niet reageerde is ze begonnen met brieven via de post te versturen. (…) In totaal zijn er drie per post aan [slachtoffer 1] gestuurd en een (l) aan mij. (…) Het zijn liefdesbrieven en brieven waarin ze beweerd dat [slachtoffer 1] is vreemdgegaan. Toen wij allebei niet reageerden begon [verdachte] via Facebook messenger berichten te sturen aan zijn zoon, dochter en daarna zijn vader die allemaal in Turkije wonen. Zij heeft (…) berichten gestuurd met als inhoud: "je vader/zoon gaat vreemd". (…) Dit gebeurde omstreeks april 2025. Ze heeft aan alle drie een (1) bericht gestuurd. (…) In de nacht van 21 op 22 april 2025 heeft [verdachte] vanaf 23.00 uur tot 07.00 uur voor de deur gestaan in haar auto. (…) Ik hoorde van [slachtoffer 1] (…) dat er om 23.37 uur op de deur werd gebonkt. Hij werd bang en keek op de camerabeelden en zag dat het [verdachte] was die uit haar auto stapte, op de deur bonkte en weer in de auto ging zitten waar ze de hele nacht in is blijven zitten. (…) Op 25 april 2025 kreeg ik een brief van Veilig Thuis. Hierin werd gemeld dat mevrouw [verdachte] een melding had gedaan over mijn thuissituatie. Deze melding gaat over mijn kinderen. Dat weet ik omdat in de brief de William Schrikken Groep is genoemd. Deze zijn betrokken bij mijn kinderen. Mijn kinderen wonen al langer niet bij mij. Dat was niet bekend bij [verdachte] . Ze heeft dus een valse melding gedaan. (…) De vriend van [slachtoffer 1] (…) heeft een WhatsApp bericht ontvangen van
[verdachte] waarin zij een screenshot deelt van een fraudemelding aan de FIOD over [slachtoffer 1] .
Hij zou illegaal werken. Dit heeft ze geappt op 14 april 2025. (…) Ik heb nog een foto van een galg die [slachtoffer 1] via whatsapp op zijn oude telefoon van [verdachte] heeft ontvangen. Hierbij zag ik de tekst: ‘die dag komt’. Het bericht is verzonden in april 2025. (…) De stalking en alle incidenten hebben grote impact op ons allebei. We hebben vijf maanden uit angst niet in ons bed maar op de bank geslapen zodat we alles in de gaten konden houden. We hebben ook al vijf maanden de rolgordijnen naar beneden. We kunnen niet normaal leven. Ik ben mijn baan in de zorg kwijtgeraakt omdat ik tijdens een nachtdienst alleen maar bezig was met wat er thuis gebeurde en met het bellen van de politie. Dat was de nacht dat ze voor ons huis postte. Ik kon toen hierdoor mijn werk niet goed uitvoeren. We hebben allebei nachtmerries omdat de buurvrouw ons alarmeerde toen er brand was door hard op de deur te bonken en te schreeuwen. Dit herbeleven we elke nacht. We zijn bang dat het weer zal gebeuren. We denken niet dat [verdachte] gaat stoppen aangezien ze al meerdere keren door de politie is gewaarschuwd en weggestuurd en ze desondanks gewoon doorging. We moeten allebei in traumabehandeling. Wij zijn hiervoor doorverwezen naar een psycholoog. We zijn allebei aan de slaapmedicatie en oxacepam (kalmeringstabletten) vanwege de stress door de situatie. Ook heeft [slachtoffer 1] lichamelijke klachten door de stress. Wij zijn bang om de straat op te gaan. We voelen ons niet meer veilig en zijn continu op onze hoede.
3. Proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie van 7 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina 211:
Op donderdag 7 augustus 2025 om 11:37 uur, heb ik een mondelinge klacht ontvangen
terzake: stalking door ex [verdachte] .
De klacht werd gedaan door:
Achternaam : [slachtoffer 2]
Voornamen : [slachtoffer 2]
Geboortedatum : [geboortedatum slachtoffer 2] 1984
De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over
te gaan.
4. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 28 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 188 en 189:
Omschrijving aangifte
Feit : brandstichting
Plaats delict : ter hoogte van [adres 2]
Vanavond, woensdag 28 mei, omstreeks 02:45 uur werd ik plots wakker, ik lag te slapen. (…) Toen ik de deur open deed zag ik mijn buren staat. Zij vertelden mij dat mijn auto in brand stond. Toen ik naar buiten liep zag ik inderdaad mijn auto in brand staan. Ik zag dat hierdoor aan de linker voorzijde schade is ontstaan, ter hoogte van het wiel.
5. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] van 8 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 12 en 13:
Omschrijving aangifte
Feit : poging tot brandstichting
Plaats delict : [adres 2]
Op 8 juli 2025 (…) kwam ik terug van mijn werk. Ik zag dat er een bierflesje in mijn voortuin lag. (…) Toen ik goed keek zag ik dat er een lont uit het bierflesje kwam. (…) Ik zag ook dat het bierflesje gevuld was met een doorzichtige substantie. Ik rook een penetrante geur van benzine uit het bierfles komen. Ik zag dat het lont tekenen had van dat het eerder was aangestoken. Ik zag dit omdat het uiteinde van het lont brandsporen had. (…)
6. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 16 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina 46:
Omschrijving aangifte
Feit : brandstichting
Plaats delict : ter hoogte van de [adres 2]
Ik woon samen met mijn partner [slachtoffer 1] aan de [adres 2] te [plaats]. (…) Vandaag, op 16 juli 2025 omstreeks 02:30 uur, moest [slachtoffer 1] even naar het toilet. (…) Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: "Ze heeft het weer gedaan, brand brand! Ons auto staat in brand!". (…) Ik zag dat onze Opel Vivaro (…) linksachter in brand stond. (…) Ik zag toen dat [slachtoffer 1] de auto met water ging blussen. (…) Ik zag op de grond een kapot flesje liggen van het merk Grolsch, met daarin een wit doekje. Ik zag dat dit flesje naast het linkerachterwiel lag. (…) Ik rook een sterke geur van benzine.
Bijlage locatieverbod
[[afbeelding]]

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0448, r.o. 4.2.
2.Vgl. Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554.
3.Vgl. Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467.