ECLI:NL:RBOVE:2026:3648

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/08/343344 / HA ZA 26-3
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 1-14 RvArt. 6 aanhef en onder e RvArt. 6 aanhef en onder d RvArt. 7 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak over aansprakelijkheid facilitaire rol bij boilerroomfraude naar rechtbank Den Haag

In deze civiele procedure vordert [partij A] een verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor schade geleden door fraude via een boilerroom, waarbij cryptovaluta werden gestolen. [partij A] stelt dat gedaagden een essentiële faciliterende rol spelen in een witwasnetwerk en daardoor onrechtmatig handelen.

Kyrrex UK vordert in een incident dat de rechtbank Overijssel zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank Den Haag om daar te worden gevoegd bij een eerdere procedure. De rechtbank toetst de rechtsmacht aan de hand van het commune recht en de Herschikte EEX-Verordening, waarbij zij acht slaat op het internationale karakter en de plaats van het schadebrengende feit.

De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is omdat [partij A] in Nederland woont, zijn vermogen daar beheert en bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het toewijzen van rechtsmacht aan de Nederlandse rechter rechtvaardigen. Vervolgens wijst de rechtbank het primaire verzoek tot onbevoegdheid af, maar wijst het subsidiaire verzoek tot verwijzing naar de rechtbank Den Haag toe vanwege verknochtheid van de zaken. De zaak wordt verwezen en van rechtswege gevoegd bij de procedure in Den Haag. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank Overijssel verklaart zich bevoegd, wijst het verzoek tot onbevoegdheid af en verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag wegens verknochtheid.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/343344 / HA ZA 26-3
Vonnis in het incident van 17 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. M.A. Hupkes,
tegen

1.KYRREX LTD.,

gevestigd te Kingstown (St. Vincent),
gedaagde partij in de hoofdzaak,
niet verschenen,
2.
KYRREX UK LTD.,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna ook te noemen Kyrrex UK,
advocaat: mr. F.M. Peters,
3.
KYRREX FINANCIAL HOLDING LTD.,
te Lefkosia (Cyprus),
gedaagde partij in de hoofdzaak,
niet verschenen,
4.
REAL EXCHANGE (REX) LTD.,
te Sant Julian (Malta),
niet verschenen,
gedaagde partij in de hoofdzaak.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding(en) met producties,
- de incidentele conclusie houdende exceptieve verweer tot onbevoegdheid van de rechtbank en subsidiair verzoek tot verwijzing en voeging van zaken, met producties,
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheids- en verwijzingsincident.
1.2
Het vonnis in incident wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.
2 De beoordeling in het incident
De hoofdzaak
2.1
In de hoofdzaak vordert [partij A] (kort gezegd) een verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de door hem geleden schade en de veroordeling van gedaagden tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet.
2.2
Aan deze vorderingen in de hoofdzaak legt [partij A] , samengevat, ten grondslag dat hij schade heeft geleden doordat hij slachtoffer is geworden van fraude via een boilerroom (een nepplatform dat verdwenen is). Hij is bewogen vermeende beleggingen te betalen met bij een exchange aangekochte cryptovaluta. Het stelen van deze cryptovaluta is het eigenlijke doel van de boilerroom. De crypto wordt door de fraudeurs ‘verzonden’ over de blockchain en buiten bereik gebracht. Na de initiële overboekingen werd [partij A] onder druk gezet om verdere bedragen te storten, zogenaamd om zijn investering veilig te stellen of om toegang te krijgen tot vermeende winsten. In werkelijkheid kreeg hij geen controle over zijn investering - die ook niet bestond - en werden uitbetalingen structureel geweigerd of uitgesteld. De cybercriminelen werken via een netwerk van geldezels. Op die manier ontvangen zij miljoenen en blijven zij zelf uit beeld. Gedaagden faciliteren dit geraffineerde witwasnetwerk en bieden criminelen daarmee een essentiële dienst (als zogenoemde nested services). De dienstverlening is specifiek gericht op de witwasbehoefte van cybercriminelen. Het ontwerpen en exploiteren van een geraffineerde witwasinfrastructuur levert een onrecht-matige daad op tegenover [partij A] , omdat gedaagden hadden moeten begrijpen dat hun witwasinfrastructuur de oplichtingshandelingen van de boilerrooms bevordert en mogelijk maakt. Gedaagden screenen hun klanten niet, hebben een gebrekkig ‘ken uw klant-principe’, monitoren geen transacties, en blokkeren geen accounts, ook niet als enorme bedragen binnenkomen die niet kunnen worden verklaard door normale handelsactiviteiten van de geldezels. Gedaagden handelen onrechtmatig en verwijtbaar door hun platform structureel ter beschikking te stellen aan fraudeurs zonder passende controlemechanismen. Er is dan ook sprake van schending van de zorgplicht. Het handelen van gedaagden heeft rechtstreeks tot schade geleid bij [partij A] . Deze schade is gelijk aan het bedrag waarmee crypto is aangekocht.
In het incident
2.3
In het incident vordert Kyrrex UK, primair dat de rechtbank Overijssel, locatie Almelo zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het gevorderde door [partij A] in de hoofdzaak, althans subsidiair dat de zaak wordt verwezen naar rechtbank Den Haag zodat de zaak aldaar gevoegd kan worden behandeld met de zaak geregistreerd onder zaak- en rolnummer C/09/694014 HAZA 25/972.
2.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang ingegaan.
Rechtsmacht
2.5
Kyrrex UK is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en [partij A] woont in Nederland. Hierdoor heeft dit geschil een internationaal karakter.
2.6
De primaire vordering van Kyrrex UK beoordeelt de rechtbank aan de hand van het commune recht, nu er na de zogenoemde Brexit (nog) geen verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland is gesloten dat ziet op de rechterlijke bevoegdheid.
2.7
Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, (de voorlopers van) de Herschikte EEX-Verordening [1] . Bij de uitleg van de regels in Rv voor rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over (de voorlopers van) deze verordening. Dit is alleen anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ EU. [2]
2.8
De rechtbank moet bij de toetsing van de rechtsmacht op grond van de Herschikte EEX-Verordening acht slaan op alle beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, waaronder de betwistingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van de vordering. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. [3] Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van de bevoegdheidsvraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (een prima facie of summierlijk oordeel). Dit geldt ook voor toetsing van de rechtsmacht op grond van het commune recht.
2.9
Tussen partijen is (onder meer) in geschil of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 6, aanhef en onder e Rv. In dit artikel is bepaald dat de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Deze regel berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn. [4]
2.1
De woorden ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ zien volgens het HvJEU zowel op de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort) als op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis (Handlungsort). De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Erfolgsort zich in Nederland bevindt. [partij A] meent dat dit het geval is en Kyrrex UK bestrijdt dat.
2.11
Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] zijn vermogen aanhoudt en beheert in Nederland. [5] Uit vaste jurisprudentie van het HvJEU volgt dat het lijden van zuiver financiële schade in Nederland op zich onvoldoende is voor de rechtsmacht van deze rechtbank in deze procedure op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv. [6] Er moeten in dat geval overige specifieke omstandigheden zijn die eveneens bijdragen aan tot toekenning van rechtsmacht aan deze rechtbank. Anders dan Kyrrex UK betoogt, zijn er in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank wel bijkomende en bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat deze rechtbank bevoegd is tot kennisname van het gevorderde uit onrechtmatige daad.
2.12
Allereerst woont [partij A] , als (gestelde) benadeelde partij, in Nederland. Dat is een omstandigheid die (enig) gewicht in de schaal legt. Bovendien is [partij A] als (gestelde) schadelijdende partij, anders dan in het eerder vermelde arrest van 16 juni 2016 van het HvJEU en waar Kyrrex UK (hoofdzakelijk) een beroep doet, een natuurlijk persoon en geen professionele partij (die onderdeel uitmaakt van een groep). Daarnaast acht de rechtbank van belang dat in voornoemd arrest is overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat “Universal Music de keuze had tussen meerdere bankrekeningen ten laste waarvan zij het schikkingsbedrag had kunnen voldoen, zodat de plaats waar deze rekening is gelegen niet noodzakelijkerwijs een betrouwbaar aanknopingspunt vormt”. Bij natuurlijke personen is dit in beginsel niet het geval, zoals ook blijkt uit deze zaak. [partij A] heeft immers gesteld dat hij de cryptoactiva uitsluitend heeft aangekocht via zijn vaste Nederlandse bankrekening en dat hij geen keuze had tussen meerdere rekeningen in verschillende landen, omdat hij deze niet heeft. De plaats waar de rekening van een natuurlijk persoon is gelegen vormt om die reden naar het oordeel van de rechtbank wel een betrouwbaar aanknopingspunt.
2.13
Tevens is naar het oordeel van de rechtbank een bijkomende omstandigheid gelegen in het feit dat [partij A] de gedaagden in de hoofdzaak verwijt dat zij zich schuldig maken aan het op onrechtmatige wijze faciliteren van fraude met cryptovaluta, een strafbaar feit. Kenmerkend aan boilerroomfraude is dat gelden bewust op ondoorzichtige wijze worden weggesluisd zodat niet langer duidelijk is waar het zich bevindt, om verhaal door een schadelijdende partij zo lastig mogelijk te maken. Daarbij zijn vaak diverse entiteiten uit verschillende landen betrokken, zoals ook in de onderhavige zaak, waardoor het voor de schadelijdende partijen – anders dan in het arrest van 16 juni 2016, waar slechts sprake was van één bij eiseres bekende schadeveroorzakende partij – heel lastig is om vast te stellen welke partijen met succes kunnen worden aangesproken. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat niet uit te sluiten is dat [partij A] jegens een of meerdere van bij de boilerroomfraude (nog niet kenbare) betrokken partijen als consument is aan te merken. Dat geen van de gedaagden een consumentenovereenkomst heeft gesloten met [partij A] , zoals Kyrrex UK stelt, doet er niet aan af dat dit aspect er, als bijkomende omstandigheid, aan kan bijdragen dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het gevorderde. In dat geval zou de rechtbank immers (ook) rechtsmacht toekomen op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder d Rv juncto artikel 7 Rv Pro. In dat verband wijst de rechtbank ook op het arrest van het HvJEU van 9 juli 2020 [7] . Daarin overwoog het HvJEU dat een autofabrikant die in een lidstaat is gevestigd en wettelijke voorschriften bewust schendt, redelijkerwijs mag verwachten te worden opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar de uiteindelijke koper de met manipulatieve software voorziene auto heeft gekocht, ongeacht het aantal schakels in de keten. Uitgaande van de faciliterende rol die gedaagden in de hoofdzaak volgens [partij A] hebben bij de boilerroomfraude, vertoont onderhavige zaak in zoverre gelijkenis met dit arrest dat de bij boilerroomfraude betrokken partijen zich mogelijk proberen te onttrekken aan een rechtssysteem omdat gelden bewust op ondoorzichtige wijze worden weggesluisd zodat niet langer duidelijk is waar het zich bevindt, om verhaal door een schadelijdende partij zo lastig mogelijk te maken. Dit welbewust (schadeveroorzakend) handelen van bij boilerroomfraude betrokken partijen is een bijkomende omstandigheid die rechtvaardigt dat deze rechtbank op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv bevoegd is om kennis te nemen van het gevorderde door [partij A] .
2.14
Bovendien zou, zoals ook de rechtbank Den Haag in haar vonnis van 18 maart 2026 [8] heeft overwogen, wanneer artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv geen toepassing zou vinden, in meerdere landen moeten worden geprocedeerd, wat de effectieve rechtstoegang - ook vanwege de hoge kosten – ernstig bemoeilijkt of feitelijk onmogelijk maakt. Ook dat is een bijzondere omstandigheid die in deze zaak – mede uit het oogpunt van een goede rechts-bedeling en een nuttige procesinrichting - de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv rechtvaardigt. Schadelijdende natuurlijke personen/consumenten, zoals [partij A] , kunnen de bij de boilerroomfraude (bekende) betrokken partijen uit diverse landen in één procedure voor hun nationale gerecht dagvaarden. De enkele (niet verder onderbouwde) stelling van Kyrrex UK dat het Britse recht een met artikel 7 Rv Pro vergelijkbare regeling kent, vormt onvoldoende reden om te concluderen dat deze rechtbank in dit geval geen rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheid niet de enige bijzondere omstandigheid is. Ook als geen rekening met deze bijzondere omstandigheid zou worden gehouden rechtvaardigen de overige bijzondere omstandigheden reeds dat deze rechtbank rechtsmacht toekomt op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv.
2.14.
De rechtbank is van oordeel dat zij onder de gegeven omstandigheden bevoegd is van het onderhavige geschil tegen gedaagden in de hoofdzaak, waaronder Kyrrex UK kennis te nemen op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv.
Verwijzing naar de rechtbank Den Haag
2.15
Nu de rechtbank zich bevoegd acht om kennis te nemen van het gevorderde op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv, komt zij toe aan de beoordeling van het subsidiair gevorderde in het incident; verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag om aldaar gevoegd te worden behandeld met de zaak die geregistreerd is onder zaak- en rolnummer C/09/694014 HAZA 25/972.
2.16
Artikel 220 Rv Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat ingeval de zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter kan worden gevorderd. Artikel 222 Rv Pro bepaalt dat voeging kan worden gevorderd indien voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn. Verknochtheid kan worden aangenomen zodra de doelmatigheid is gediend met gezamenlijke behandeling en berechting van de zaken. Het doel van verwijzing en/of voeging is enerzijds het voorkomen van tegenstrijdige en niet met elkaar overeenstemmende beslissingen en anderzijds de proceseconomie, dus het voorkomen van onnodige dubbele procedures.
2.17
Kyrrex UK stelt dat er sprake is van verknochtheid omdat (a) de vorderingen zijn ingesteld tegen exact dezelfde gedaagden, (b) Kyrrex UK in beide procedures door dezelfde advocaat wordt bijgestaan (c) de eisers in beide procedures door dezelfde advocaat worden bijgestaan, (d) de dagvaarding voor beide procedures gelijk luidt wat betreft de inhoudelijke gronden voor de vordering, (e) de door eisers aangevoerde feiten in beide procedures sterke gelijkenissen vertonen en (f) [partij A] in de onderhavige hoofdzaakzaak veelal verwijst naar het feitencomplex in de bij de rechtbank Den Haag aanhangige zaak.
2.18
[partij A] voert verweer tegen de gevorderde verwijzing. Hij stelt dat de verknocht-heid ontbreekt. Het feitencomplex in zijn zaak wijkt volgens hem op meerdere wezenlijke punten af van de zaak bij de rechtbank Den Haag. [partij A] heeft schade geleden in crypto-activa van een ander type dan de bitcoins waarop de zaak bij de rechtbank Den Haag ziet en de fraudeurs en de gebruikte routes wijken af. Ook het bewijstraject is anders. De fraude waar [partij A] slachtoffer is geworden vindt later in de tijd plaats dan het gemiddelde slacht-offer in de zaak bij rechtbank Den Haag en laat een doorontwikkelde versie van de nested serviceconstructie zien. Daarnaast is bij [partij A] sprake van een Kyrrex-account op naam van [naam], een high profile katvanger. Het profiel van [naam] wijkt sterk af van de personen op wier naam de accounts staan in de zaak bij de rechtbank Den Haag. Een parallelle rechtsvraag - de aansprakelijkheid van Kyrrex als facilitator van boilerroomfraude - is op zichzelf onvoldoende voor verknochtheid. Tegenstrijdige uitspraken op rechtsvragen worden bovendien voorkomen doordat de respectievelijke rechtbanken kennis kunnen nemen van elkaars vonnissen, zonder dat daartoe voeging nodig is. [partij A] heeft zijn forum gekozen door bij deze rechtbank te dagvaarden. Een verwijzingsverzoek vergt een belangen-afweging en [partij A] heeft een persoonlijk zwaarwegend belang bij een voortvarende individuele behandeling. Zijn zaak is overzichtelijker dan de gezamenlijke procedure bij de rechtbank Den Haag. Voeging aldaar zou onvermijdelijk leiden tot vertraging en tot processuele complicaties die voor [partij A] geen enkel voordeel meebrengen. Hij beschikt over zijn eigen bewijsmiddelen en over een zelfstandige schadeposten- en causaliteitsketen die het beste tot zijn recht komen in een eigen procedure.
2.19
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verweer van [partij A] niet. [partij A] wijst er weliswaar op dat zijn zaak op meerdere punten afwijkt van de zaak bij de rechtbank Den Haag, maar dat volgt niet uit zijn dagvaarding. Deze is in de kern bijna gelijkluidend aan de dagvaarding in de bij de rechtbank Den Haag aanhangige procedure. [9] In de dagvaar-ding in de hoofdzaak wordt (juist) gewezen op de overeenkomsten met de zaken van (veelal) eisers in de procedure bij de rechtbank Den Haag en worden (een aantal van) die zaken ook uitgebreid beschreven. De juridische grondslag voor het gevorderde in de hoofdzaak is ook vrijwel gelijkluidend. Op basis van de in het dossier bevindende stukken constateert de rechtbank dat de juridische geschilpunten in de onderhavige zaak identiek zijn aan de zaak bij de rechtbank Den Haag, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Dat [partij A] zijn eigen forum heeft gekozen en een zwaarwegend belang heeft bij een voortvarende individuele behandeling, welk belang niet (voldoende) nader is gespecificeerd en geconcretiseerd, weegt niet op tegen het belang van goede rechtspleging.
2.2
De verwijzing en de voeging van beide zaken die deze verwijzing van rechtswege tot gevolg heeft, staat bovendien er niet aan in de weg dat ook de individuele omstandigheden van [partij A] , voor zover aangevoerd en van belang, zullen worden meegewogen bij het nemen van de uiteindelijke beslissing in elk van de zaken.
2.21
Gelet op wat hierboven is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de zaken zodanig met elkaar verknocht zijn dat consistentie van uitspraken gewenst is. De rechtbank acht daarom verwijzing van deze zaak in de huidige stand naar de rechtbank Den Haag aangewezen. Omdat de procedure bij de rechtbank Den Haag eerder aanhangig is gemaakt dan de procedure bij deze rechtbank wordt ook aan de overige vereisten van artikel 220 Rv Pro voldaan. De vordering tot verwijzing zal dan ook worden toegewezen.
Slotsom en proceskosten
2.22
De rechtbank acht zich bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde door [partij A] in de hoofdzaak en wijst daarom de primaire vordering van Kyrrex UK in het incident af. De subsidiaire vordering van Kyrrex UK in het incident tot verwijzing wordt toegewezen. De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rechtbank Den Haag waar verder geprocedeerd kan worden op de wijze zoals bepaald in artikel 221 Rv Pro. De verwijzing leidt van rechtswege tot voeging van beide zaken.
2.23
Naar het oordeel van de rechtbank zijn partijen in dit incident over en weer in het (on)gelijk gesteld. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1
wijst de vordering tot verwijzing naar de rechtbank Den Haag toe;
3.2
compenseert de proceskosten in het incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak
3.4
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Den Haag;
3.5
verstaat dat de onderhavige zaak van rechtswege is gevoegd met de bij de rechtbank Den Haag onder zaak- en rolnummer C/09/694014 HAZA 25/972 aanhangige zaak.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op
17 juni 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2.Vgl. o.a. HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443 en HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566.
3.Vgl. o.a. HvJ EU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc) en
4.Zie o.a. HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music).
5.Zie randnummer 50 eis in incident van Kyrrex UK.
6.Vgl. o.a. HvJ EU 12 september 2018, ECLI:EU:C:2018:701 (Löber) en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music).
7.HvJEU 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:534 (VKI/Volkswagen).
8.Rechtbank Den Haag 18 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7315.
9.De dagvaarding die is uitgebracht in de bij de rechtbank Den Haag aanhangige procedure is door Kyrrex UK overgelegd als productie 4 bij de conclusie in incident.