ECLI:NL:RBOVE:2026:3124

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
08.298458.25, 08-255546-25, 08-085704-22 (vordering TUL) en 08-306394-23 (vordering TUL)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • A.F. Germs - de Goede
  • E.C. de Bie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 302 SrArt. 82 SrArt. 38v SrArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen zware mishandeling, veroordeling poging mishandeling met noodweerexces

De rechtbank Overijssel behandelde op 4 juni 2026 de strafzaken tegen verdachte met betrekking tot zware mishandeling en poging zware mishandeling van twee slachtoffers.

Uit het dossier bleek dat verdachte en medeverdachte geen nauwe en bewuste samenwerking hadden bij de mishandeling van het eerste slachtoffer, waardoor verdachte werd vrijgesproken van medeplegen zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Het letsel van het eerste slachtoffer werd niet redelijkerwijs aan verdachte toegerekend.

Voor het tweede slachtoffer werd bewezen verklaard dat verdachte meerdere malen met een ploertendoder op het hoofd had geslagen, wat een poging tot zware mishandeling opleverde. Verdachte werd echter ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweerexces, omdat hij zich verdedigde tegen een onverwachte aanval.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie maanden op voor de poging zware mishandeling, waarbij rekening werd gehouden met eerdere veroordelingen en de rol van het eerste slachtoffer. De vorderingen tot schadevergoeding van beide slachtoffers werden afgewezen wegens onvoldoende causaal verband of omdat de verdachte werd ontslagen van rechtsvervolging. Tevens werd de tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen bevolen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen zware mishandeling, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor poging zware mishandeling, en ontslagen van rechtsvervolging wegens noodweerexces.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers: 08.298458.25, 08-255546-25, 08-085704-22 (vordering TUL) en 08-306394-23 (vordering TUL) (P)
Datum vonnis: 4 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 mei 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Greven, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door de heer [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens hem is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Parketnummer 08.298458.25
zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, dan wel openlijke geweldpleging of een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1].
Parketnummer 08-255546-25
zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling van [slachtoffer 2].
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
Parketnummer 08.298458.25
hij op of omstreeks 7 november 2025 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, waarbij hij, verdachte, en/of een
van zijn mededaders, die [slachtoffer 1]
- meermaals, althans eenmaal, met een voorwerp gelijkend op een
wapenstok op/tegen zijn armen heeft geslagen, en/of
- meermaals, althans eenmaal, met een schop tegen zijn armen heeft
geslagen en/of met die schop tegen, althans richting de buik van die [slachtoffer 1]
heeft bewogen, en/of
- meermaals, althans eenmaal, met een honkbalknuppel op/tegen zijn
armen heeft geslagen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te [plaats]
op straat, ter hoogte van de woning aan de [adres] te [plaats], in
elk geval openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1],
door die [slachtoffer 1]
- meermaals, althans eenmaal, met een voorwerp gelijkend op een
wapenstok op/tegen zijn armen te slaan, en/of
- meermaals, althans eenmaal, met een schop tegen zijn armen te slaan
en/of met die schop tegen, althans richting de buik van die [slachtoffer 1] te
bewegen, en/of
- meermaals, althans eenmaal, met een honkbalknuppel op/tegen zijn
armen te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn/haar mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
waarbij hij, verdachte, en/of een van zijn mededaders, die [slachtoffer 1]
- meermaals, althans eenmaal, met kracht met een honkbalknuppel
op/tegen zijn armen heeft geslagen, en/of
- meermaals, althans eenmaal, met een schop tegen zijn armen heeft
geslagen en/of met die schop tegen, althans richting de buik van die [slachtoffer 1]
heeft bewogen, en/of
- meermaals, althans eenmaal, met een honkbalknuppel op/tegen zijn
armen heeft geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 08-255546-25
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een ploertendoder, althans met een hard voorwerp, één of meerdere malen
(met kracht) op/tegen het (achter)hoofd, althans op/tegen het lichaam heeft
geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te [plaats]
[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een ploertendoder, althans met
een hard voorwerp, één of meerdere malen (met kracht) op/tegen het
(achter)hoofd, althans op/tegen het lichaam te slaan.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
In de zaak met parketnummer 08.298458.25 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie is sprake van een wirwar van gebeurtenissen die tegelijkertijd hebben plaatsgevonden. Door op elkaar in te haken en door te gaan met de door de ander gestarte geweldshandelingen is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, hierna [verdachte], en medeverdachte [medeverdachte], hierna [medeverdachte]. [verdachte] is zijn huis uitgekomen nadat hij is gebeld door [medeverdachte]. Hij moet hebben geweten dat aangever werd geslagen door verdachte [medeverdachte]. Door alle klappen bij elkaar is het zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt.
In de zaak met parketnummer 08-255546-25 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 08.298458.25 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Van medeplegen kan geen sprake zijn omdat de ruzie van [medeverdachte] en [slachtoffer 1] enerzijds en de ruzie van verdachte en [slachtoffer 1] anderzijds losstaande incidenten zijn. Bij het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw daarom partiële vrijspraak van het medeplegen bepleit en van het slaan met de schop.
In de zaak met parketnummer 08-255546-25 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niets blijkt over de kracht waarmee is geslagen, de aard en ernst van het letsel en de noodzaak tot medisch ingrijpen. Ook van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling moet verdachte volgens de raadsvrouw worden vrijgesproken, omdat sprake is van noodweer.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummer 08.298458.25 [1]
Uit het dossier blijkt – voor zover relevant voor het tenlastegelegde – het volgende.
Aangever [slachtoffer 1] , hierna [slachtoffer 1], heeft verklaard [2] dat hij op 7 november 2025 rond 07:30 uur naar het huis van [verdachte] is gegaan. Daar klopte hij op de deur en op het raam. [verdachte] deed de deur niet open. Daarna is hij naar [medeverdachte] gegaan. Ook [medeverdachte] deed de deur niet open. Toen [slachtoffer 1] wilde vertrekken, kwam [medeverdachte] naar buiten. Na een woordenwisseling pakte [medeverdachte] op enig moment een schop en heeft hem daarmee een paar keer geraakt, ‘
op mijn buik dan wel borst gedeelte. Zekers twee keer’. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij toen verder naar achteren is gelopen, tot op de weg. Toen zag hij [verdachte] uit zijn woning komen. [verdachte] kwam ‘
als een gek’ op [slachtoffer 1] afgerend en heeft hem meerdere keren met een honkbalknuppel geslagen.
Getuige [getuige] heeft verklaard [3] dat zij op enig moment wakker werd van geluid. Toen zij naar buiten ging zag ze dat [verdachte] uit zijn woning kwam en dat [verdachte] op straat een handgemeen kreeg met [slachtoffer 1].
[medeverdachte] heeft verklaard [4] dat hij twee keer met de schep richting de buik van [slachtoffer 1] heeft geslagen, en dat hij er alleen voor stond.
[verdachte] heeft verklaard [5] dat hij in zijn woning was en werd gebeld door [medeverdachte]. [medeverdachte] vertelde hem dat [slachtoffer 1] voor de deur stond en [medeverdachte] zei tegen [verdachte] ‘
pas goed op’. Hij hoorde gebonk en lawaai. [verdachte] is vervolgens naar buiten gerend met een honkbalknuppel in zijn handen. Daarmee heeft hij [slachtoffer 1] twee keer geslagen op beide armen. Hij heeft niets meegekregen van ruzie tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte].
Medeplegen
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer personen die gezamenlijk een strafbaar feit plegen. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een strafbaar feit dat [verdachte] en [medeverdachte] gezamenlijk hebben uitgevoerd. Zoals hiervoor opgenomen blijkt uit het dossier dat [slachtoffer 1] eerst een confrontatie met (alleen) [medeverdachte] heeft gehad, bij de woning van [medeverdachte]. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] daarbij aanwezig is geweest. Dat [verdachte] uit het raam heeft gekeken en moet hebben gemerkt of gezien dat [slachtoffer 1] werd geslagen door [medeverdachte] is niet gebleken. Vervolgens is [slachtoffer 1] naar eigen zeggen ‘
verder naar achteren gelopen, tot op de weg’. Daar heeft vervolgens de confrontatie met [verdachte] plaatsgevonden. De verklaring van getuige [getuige] ondersteunt dit. Uit het dossier blijkt niet dat [medeverdachte] en [verdachte] op enig moment hebben samengewerkt of dat zij een aandeel hebben gehad bij de confrontatie die de ander met [slachtoffer 1] had.
Dat [medeverdachte] na zijn confrontatie met [slachtoffer 1] naar [verdachte] heeft gebeld kan niet zo worden aangemerkt (en lijkt bovendien juist bedoeld om [verdachte] te waarschuwen voor [slachtoffer 1]). Dat zowel [medeverdachte] als zijn vrouw tijdens de confrontatie van [slachtoffer 1] met [verdachte] (‘van achter het hek’) zou hebben geschreeuwd ‘Sla op [naam]’ en ‘Sla op’ – wat overigens alleen door [slachtoffer 1] is verklaard – is daarvoor ook onvoldoende.
Verder is niet gebleken dat sprake is van een gezamenlijke voorbereiding, of dat [verdachte] een voorbereidende rol heeft gehad bij de confrontatie tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte] of dat [medeverdachte] een voorbereidende rol heeft gehad bij de confrontatie tussen [slachtoffer 1] en [verdachte]. Dat lijkt overigens ook niet goed mogelijk omdat [slachtoffer 1] ’s ochtends vroeg onverwacht naar de woning van [verdachte] kwam en vervolgens naar de woning van [medeverdachte] is gegaan.
Omdat dus niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] zal [verdachte] zal worden vrijgesproken van medeplegen.
Primair tenlastegelegde zware mishandeling
Onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (ECLI:NL:HR:2018:1051).
Uit het letselonderzoek en -verslag van de GGD [6] blijkt dat er bij [slachtoffer 1] sprake was van negen bloeduitstortingen [7] , vijf huidbeschadigingen [8] , een snijwond [9] en een huiddoorklieving die was gesloten met één hechting. [10] Naar het oordeel van de rechtbank is dit letsel gelet op de algemene gezichtspunten – ook in onderlinge samenhang bezien – onvoldoende ernstig om als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt.
Uit het letselonderzoek en -verslag van de GGD blijkt daarnaast dat er bij [slachtoffer 1] sprake was van een open breuk van het rechterelleboog (olecranon), waarvoor een operatieve behandeling met schroeffixatie noodzakelijk was. [11] Dat letsel hangt nauw samen met de huiddoorbreking/huiddoorklieving ‘met minstens tien hechtingen’ van de rechterelleboog. [12] Gelet op de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen, een operatie met schroeffixatie was vereist, kan het letsel als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt.
Voor een bewezenverklaring van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel moet sprake zijn van een causaal verband tussen de gedraging van [verdachte] en het zwaar lichamelijk letsel. De beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de [verdachte] en het letsel van de [slachtoffer 1], moet geschieden aan de hand van de maatstaf of dat letsel redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan [verdachte] kan worden toegerekend.
In dit geval kan echter niet worden vastgesteld of het letsel aan de rechterelleboog van [slachtoffer 1] is ontstaan door handelingen van [verdachte], te weten het slaan met de honkbalknuppel. Het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Verder is het goed mogelijk dat het letsel op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld door een val ([verdachte] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft zien vallen) of omdat het door [medeverdachte] is toegebracht tijdens de andere confrontatie. Omdat geen sprake is van medeplegen kunnen de handelingen van [medeverdachte] de verdachte niet worden aangerekend. Dat betekent dat [verdachte] van de primair tenlastegelegde zware mishandeling zal worden vrijgesproken.
Subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging
De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat geen sprake is van medeplegen. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging.
Meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte heeft bekend en door de verdediging geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Die bewijsmiddelen zijn:
  • de bekennende verklaring van verdachte tijdens de zitting op 21 mei 2026;
  • het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, pagina 20 tot en met 23. Dit is een door daartoe bevoegde personen opgemaakt proces-verbaal (in de zin van artikel 344, eerste lid onder 2, van het Wetboek van Strafvordering).
Parketnummer 08-255546-25 [13]
Aangever [slachtoffer 2], hierna [slachtoffer 2], heeft verklaard [14] dat verdachte hem op 28 juli 2025 twee keer met een ploertendoder op zijn hoofd sloeg in de woning van verdachte.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] twee keer met een ploertendoder heeft geslagen. [15]
De rechtbank is van oordeel dat door meermalen met een dergelijk voorwerp – een slagvoorwerp met een metalen kop – op het hoofd te slaan, een kwetsbaar lichaamsdeel, de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. De gedraging is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Parketnummer 08.298458.25
hij op 7 november 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander,
te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
waarbij hij die [slachtoffer 1]
- meermaals met kracht met een honkbalknuppel op zijn armen heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 08-255546-25
hij op 28 juli 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander,
te weten [slachtoffer 2]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een ploertendoder,
meerdere malen op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 08.298458.25
het misdrijf:
poging tot zware mishandeling
Parketnummer 08-255546-25
het misdrijf:
poging tot zware mishandeling

5.De strafbaarheid van verdachte

Parketnummer 08.298458.25
De raadsvrouw heeft betoogd dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat sprake was van noodweer, noodweerexces, dan wel putatief noodweer(exces). Daartoe is – kort samengevat – aangevoerd dat [verdachte] wekenlang werd bedreigd door [slachtoffer 1], waaronder nog de avond van tevoren via zijn moeder, en dat [slachtoffer 1] zelf ’s ochtends vroeg de confrontatie met [verdachte] heeft gezocht. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar van een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1], en de reactie van [verdachte] was reëel en redelijk.
Volgens de officier van justitie was er geen sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, omdat [slachtoffer 1] niet dichtbij is geweest, niet expliciet heeft gedreigd met geweld en geen sprake was van een aanval door [slachtoffer 1]. Ook had [verdachte] in zijn woning 112 kunnen bellen.
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept niet kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo’n geval kan ook een beroep op noodweerexces en putatief noodweer niet slagen (Vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK4788 en ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.3, 3.6.1. en 3.7.2).
De rechtbank overweegt dat [verdachte] – op het moment dat hij zich bewust werd van de aanwezigheid van [slachtoffer 1] bij zijn woning – binnen in zijn woning aanwezig was. Bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat hij op de eerste verdieping van zijn woning in bed was toen hij werd gebeld door [medeverdachte] en dat hij toen gebonk hoorde aan de voorkant van zijn woning, waar rolluiken zijn. Tijdens de zitting heeft hij verklaard dat zijn woning ‘
net een bunker’ is.
Van een onmiddellijk dreigend gevaar van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [verdachte] lijf, of het lijf van [medeverdachte], was gezien die omstandigheden dan ook geen sprake. Van de confrontatie van [slachtoffer 1] met [medeverdachte] heeft [verdachte] naar eigen zeggen niets meegekregen (en bovendien was die op dat moment al afgelopen, blijkend uit de omstandigheid dat [medeverdachte] in de gelegenheid was om [verdachte] te bellen). [verdachte] was binnen in zijn woning terwijl [slachtoffer 1] buiten was, ‘slechts’ op de rolluiken bonkte, niet naar binnen ging en dat ook niet kon.
[verdachte] is vervolgens met een honkbalknuppel naar buiten gerend, naar [slachtoffer 1] die zich op dat moment op straat bevond (en dus niet meer bij de rolluiken van zijn woning). Zoals [verdachte] dat zelf tijdens de zitting heeft verwoord: ‘
ik heb een waas gekregen en ben in de aanval gegaan’.
[verdachte] heeft vanuit een setting waar hij veilig was, bewapend met een honkbalknuppel de (fysieke) confrontatie gezocht met [slachtoffer 1]. Dit staat in de weg aan het aannemen van enige noodweersituatie, ook bij een beroep op noodweerexces of putatief noodweer(exces). Die is dan ook niet aannemelijk geworden.
Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor dit bewezenverklaarde feit.
Parketnummer 08-255546-25
De raadsvrouw heeft betoogd dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat sprake was van een noodweer, dan wel noodweerexces. Daartoe is – kort samengevat – aangevoerd dat [slachtoffer 2] in de woning van [verdachte] ineens een ploertendoder pakte, waarna een handgemeen ontstond, verdachte de ploertendoder heeft afgepakt en [slachtoffer 2] uit zelfverdediging heeft geslagen.
Volgens de officier van justitie was er geen sprake van een situatie waarin [verdachte] zich moest verdedigen.
De rechtbank constateert dat de verklaringen over wat zich in de woning heeft afgespeeld lijnrecht tegenover elkaar staan. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die een van beide scenario’s ondersteunen of juist uitsluiten. Uit het dossier (pagina 33 en 34) blijkt wel dat [slachtoffer 2] onaangekondigd naar de woning van [verdachte] is gegaan (om kleding voor zijn zoontje op te halen), terwijl zij via Whatsapp hadden afgesproken dat [slachtoffer 2] eerst zou appen. [slachtoffer 2] is vervolgens filmend met zijn telefoon naar de deur van de woning van [verdachte] gegaan [16] . Op de beelden is te zien/horen dat [slachtoffer 2] de woning binnengaat en dat [verdachte] aan hem vraagt of hij wat wil drinken. [slachtoffer 2] antwoordt dat dit niet hoeft omdat zijn vrouw en kind in de autowachten. Dit klinkt als een gemoedelijk gesprek. Over de beelden van de telefoon is vervolgens in het dossier geverbaliseerd [17] : ‘
ik hoorde vervolgens een geluid wat erop lijkt dat er een klap wordt uitgedeeld. (..) Ik kon niet zien wie de veroorzaker was van de mogelijke klap die werd uitgedeeld.’ Op dat moment stopt de opname die aan de verbalisant is getoond. Dat [slachtoffer 2] kennelijk juist op dat moment stopt met filmen (of dat de verbalisant beelden van [slachtoffer 2] te zien heeft gekregen waarin is geknipt) roept vragen op. Dat, in combinatie met de omstandigheden dat [slachtoffer 2] onaangekondigd bij [verdachte] aan de deur kwam en dat die niet wist dat werd gefilmd, maakt dat de rechtbank de verklaring van [verdachte] aannemelijker acht. Daarom zal de rechtbank bij de beoordeling van het te bespreken beroep op noodweer (exces) uitgaan van de lezing van [verdachte] over wat zich in de woning heeft afgespeeld.
Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie waartegen [verdachte] zich moest verdedigen. Een poging tot het onverhoeds slaan met een ploertendoder kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. [verdachte] heeft de ploertendoder afgepakt en heeft [slachtoffer 2] daarmee vervolgens (onmiddellijk) twee keer geslagen. Dat staat echter niet in een redelijke verhouding tot elkaar, omdat [slachtoffer 2] op dat moment niet meer bewapend was. Dat betekent dat het beroep op noodweer niet kan slagen. Wel is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging is veroorzaakt door de hevige gemoedsbeweging (‘blinde paniek’ volgens [verdachte]), die weer werd veroorzaakt door de wederrechtelijk aanranding door [slachtoffer 2] (die [verdachte] onverhoeds in zijn woning aanviel met een ploertendoder).
Daarom slaagt het beroep op noodweerexces. [verdachte] is dus niet strafbaar voor dit bewezenverklaarde feit en hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden en tot een, als dadelijk uitvoerbaar te verklaren vrijheidsbeperkende maatregel, een contactverbod met [slachtoffer 1] voor de duur van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd geen vrijheidsstraf op te leggen.. Het afgelopen jaar heeft hij grote stappen gezet, en bij detentie zal [verdachte] zijn woning, begeleiding en bewindvoerder kwijtraken, en zal het schuldentraject worden beëindigd. Verder dient de rol van [slachtoffer 1] mee te wegen bij het bepalen van de strafmaat.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft [slachtoffer 1], zijn ex-schoonvader, aangevallen en hem twee keer met een honkbalknuppel op zijn armen geslagen.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 23 maart 2026. Hieruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld
Gezien de ernst van het gepleegde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf De rechtbank stelt daarbij ook vast dat [verdachte] in twee proeftijden liep tijdens het begaan van het feit. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht als uitgangspunt genomen. Voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) wordt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden gegeven. In dit geval gaat het om een poging daartoe
De rechtbank is van oordeel dat de rol van [slachtoffer 1] in strafmatigende zin dient te worden meegewogen. De confrontatie kende een wekenlange voorgeschiedenis, waarin ook [slachtoffer 1] een aandeel heeft. Dat blijkt onder meer uit de uitwerking van een geluidsopname in het dossier en de aangifte die [verdachte] al voor de confrontatie had gedaan. Daarnaast is [slachtoffer 1] op de dag van de confrontatie zelf ’s ochtends vroeg rond 07:30 uur bij [verdachte] aan de deur gegaan, nadat hij de avond ervoor telefonisch bedreigende uitlatingen had gedaan tegenover de moeder van [verdachte].
De reclasseringsmedewerker heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de reclassering steeds oprecht overkomende intentie en bereidverklaring van verdachte ziet, maar dat ingezette trajecten de afgelopen drie jaar constant mislukken. Uit het voortgangsverslag van de reclassering van 7 mei 2026 blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet voor verdere gedragsverandering en verdere risicobeperking nu verdachte voor de vijfde maal voortijdig een kliniek heeft moeten verlaten. Daarom zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van drie maanden passend en geboden
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd als vrijheidsbeperkende maatregel een contactverbod met [slachtoffer 1] aan verdachte op te leggen. Een vrijheidsbeperkende maatregel kan op grond van artikel 38v, eerste lid, Sr worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten. Niet is gebleken dat [verdachte] na het begaan van het bewezenverklaarde feit contact heeft gezocht met [slachtoffer 1]. Uit de memorie van toelichting blijkt ten aanzien van de ‘algemene toepasbaarheid’ van de vrijheidsbeperkende maatregel dat het in deze gevallen gaat om gerichte maatregelen om de omgeving te beschermen. ‘
Het kan hier gaan om situaties van aanhoudende overlast doordat personen strafbare feiten plegen die de leefbaarheid in bepaalde wijken aantast (..). Tevens kan het gaan om een verdachte van een strafbaar feit, bijvoorbeeld eenvoudige mishandeling, die ernstig belastend gedrag jegens het slachtoffer of een getuige vertoont. In dergelijke situaties moet voorkomen worden dat de getuige of het slachtoffer ongevraagd op hinderlijke wijze met de verdachte dreigt geconfronteerd te worden’ (Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3, p. 6 en 7.). Omdat uit het dossier niet blijkt dat daarvan in dit geval sprake is, is de rechtbank in dat licht van oordeel dat een contactverbod niet noodzakelijk is.

7.De schade van benadeelden

7.1.1 De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding tot – zo begrijpt de rechtbank de vordering – een bedrag van (ongeveer) € 2.000,-- per maand voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid/inkomstenderving en een deel pro memorie voor materiële schade, een bedrag van € 20.000,-- en een deel pro memorie voor immateriële schade, en (ongeveer) € 2.500,-- inclusief BTW voor de rechtsbijstand van de door hem gemachtigde mr. L. Lancée.
7.1.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet is onderbouwd en dat als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 4.000,-- passend is, gelet op wat in vergelijkbare zaken is toegekend.
7.1.3 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair betoogd de vordering af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de materiële schade niet onderbouwd en is voor immateriële schade maximaal een bedrag van € 2.675,-- aan de orde, gelet op de Rotterdamse Schaal. Dat bedrag dient met minimaal 50% te worden gematigd, omdat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (artikel 6:101 BW Pro).
7.1.4 Het oordeel van de rechtbank
Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt dus voor vergoeding in aanmerking.
Waardoor de schade van [slachtoffer 1] is ontstaan, is zeer summier omschreven in het voegingsformulier. Voor zover is bedoeld te stellen dat deze schade is ontstaan als gevolg van het toegebrachte letsel is de rechtbank van oordeel dat er – omdat verdachte wordt vrijgesproken van zware mishandeling en openlijke geweldpleging – onvoldoende duidelijk is dat de schade het gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van [verdachte].
Dat betekent dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De rechtbank begroot de kosten op nihil.
7.2.1 De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om € 1.291,-- schadevergoeding te betalen voor immateriële schade.
7.2.2 Het oordeel van de rechtbank
In de strafzaak van de benadeelde ontslaat de rechtbank verdachte van alle rechtsvervolging en legt zij hem geen maatregel op. Volgens de wet kan de strafrechter in dat geval geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

8.De vorderingen tot tenuitvoerlegging

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen in de zaken met parketnummers 08-085704-22 en 08-306394-23.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen wegens de bepleite vrijspraak/OVAR. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat in die zaken sprake is van andersoortige delicten (vermogensdelicten en/of overtreding van de Opiumwet) en dat het belangrijk is dat verdachte niet gedetineerd raakt maar dat hij stabiliteit blijft behouden.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de officier van justitie beide moeten worden toegewezen. Het is gebleken dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijden aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en de rechtbank ziet ook in hetgeen is aangevoerd geen reden om de vorderingen af te wijzen.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 63 Sr Pro.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 08-298458-25 meer subsidiair en 08-255546-25 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
08-298458-25
het misdrijf
poging tot zware mishandeling
08-255546-25
het misdrijf
poging tot zware mishandeling
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 08-298458-25 meer subsidiair bewezen verklaarde;
- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 08-255546-25 primair bewezen verklaarde en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;
straf
- veroordeelt verdachte ter zake van het onder 08-298458-25 meer subsidiair bewezen verklaarde tot een
gevangenisstrafvoor de duur van 3
(drie) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in de strafzaak met parketnummer 08.298458.25) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in de strafzaak met parketnummer 08-255546-25) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-085704-22
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 22 augustus 2022 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
zes weken;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-306394-23
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 15 maart 2024 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
negen maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Germs - de Goede, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Mr. A van Holten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met bestandsnaam ‘ON00000_2025539744_Politieprocesdossier.pdf’.
2.Pagina 20 tot en met 23.
3.Pagina 72.
4.Pagina 206.
5.Pagina 233 en 234.
6.Vanaf pagina 29.
7.Pagina 32, 33, 34, 35, 36, 39, 40, 41 en 48.
8.Pagina 37, 38, 42, 43 en 45.
9.Pagina 44.
10.Pagina 47.
11.Pagina 29.
12.Pagina 46.
13.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met bestandsnaam ‘ON00000_2025361346_Politieprocesdossier.pdf’. Tenzij anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
14.Pagina 5.
15.Pagina 40.
16.Pagina 8.
17.Pagina 7.