3.3.Met een besluit van 19 december 2023 (hierna: het derde dwangsombesluit) heeft het college [eiser] gelast een aantal overtredingen op het perceel voor 1 maart 2024 te beëindigen op straffe van een dwangsom van € 18.000 ineens per overtreding die niet ongedaan is gemaakt. Deze overtredingen hebben onder meer betrekking op de aarden wallen, de vijvers, de verharding en (de hoogte van) de entree en de berging van de woonboerderij. Bij besluit van 21 februari 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na het besluit op bezwaar. Bij besluit op bezwaar van 12 juni 2024 heeft het college het besluit van 19 december 2023 in stand gelaten. Bij een hercontrole is geconstateerd dat de overtredingen niet zijn beëindigd. Daarom heeft het college bij besluit van 13 november 2024 € 72.000 aan dwangsommen ingevorderd. Bij uitspraak van 24 januari 2024heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juni 2024 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft. De rechtbank heeft het besluit van 19 december 2023 herroepen voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft en heeft de dwangsom zelf vastgesteld op € 8.000 per overtreding. Tegen deze uitspraak heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft nog niet op dit hoger beroep beslist.
4. Met een brief van 23 april 2024 hebben de omwonenden het college verzocht om handhavend op te treden tegen de aarden wallen, vijvers en verharding door middel van een last onder bestuursdwang. Met het besluit van 17 juli 2024 heeft het college dit verzoek afgewezen omdat er op dat moment voor dezelfde overtredingen nog een andere herstelsanctie (de derde last onder dwangsom) van kracht was. De omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2024.
5. Op 30 oktober 2024 en 8 januari 2025 hebben toezichthouders van de gemeente een controle uitgevoerd op het perceel. Daarbij hebben zij geconstateerd dat de aarden wallen, vijvers en verharding niet zijn verwijderd, dat geen gewijzigde bouwkundige tekening met alle bijbehorende gegevens is ingediend, dat de woonboerderij niet alsnog in overeenstemming is gebracht met de omgevingsvergunning van 2 juni 2010 en dat zonder omgevingsvergunning een mantelzorgwoning is geplaatst.
6. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van de omwonenden tegen het besluit van 17 juli 2024 ongegrond verklaard. Verder heeft het college vastgesteld dat de derde last onder dwangsom inmiddels was uitgewerkt en dat de overtredingen nog niet waren beëindigd. Daarom heeft het college [eiser] in een afzonderlijke brief een last onder bestuursdwang opgelegd. Deze last houdt in dat [eiser] vóór 1 april 2025 de aarden wallen, vijvers en verharding moet verwijderen en verwijderd moet houden, dat hij een bouwkundige tekening met alle bijbehorende relevante gegevens moet indienen of de hoogte van de entree en berging in overeenstemming moet brengen met de vergunning van 2010, dat hij de mantelzorgwoning moet verwijderen of in het achtererfgebied van het perceel moet plaatsen en dat hij de behoefte aan mantelzorg afdoende moet aantonen. Daarbij heeft het college aangegeven dat het, als [eiser] dit niet doet, de overtredingen op zijn kosten ongedaan gaat maken. Het college heeft deze kosten geschat op € 275.000.
7. Met een besluit van 26 maart 2025 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder bestuursdwang verlengd tot zes weken na 1 april 2025.
Is het bezwaar terecht doorgezonden naar de rechtbank?
8. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het college het bezwaar ten onrechte als beroep heeft doorgezonden naar de rechtbank. Hij is van mening dat het college dit bezwaar zelf moet behandelen en dat het college in dat kader het bestreden besluit volledig moet heroverwegen.
9. De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, voor zover dit is gericht tegen het besluit tot het opleggen van de last onder bestuursdwang wegens overtredingen met betrekking tot de aarden wallen, vijvers en verharding. Daarom heeft het college het bezwaarschrift terecht doorgestuurd naar de rechtbank voor zover het is gericht tegen dit deel van het bestuursdwangbesluit. De rechtbank is verder van oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, voor zover dit is gericht tegen het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang wegens overtredingen met betrekking tot de mantelzorgwoning en (de hoogte van) de entree en berging. Daarom heeft het college het bezwaarschrift ten onrechte doorgestuurd naar de rechtbank voor zover het is gericht tegen dit deel van het bestuursdwangbesluit. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.