Eiser diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een overkapping, het aanleggen van bergvijvers en aarden wallen op zijn perceel. Het college wees de aanvraag af vanwege onevenredige afbreuk aan landschappelijke waarden, met name door de vijvers. Daarnaast legde het college een last onder dwangsom op wegens het niet verwijderen van overtredingen, waaronder de vijvers, aarden wallen en puinverharding.
De rechtbank oordeelde dat de weigering van de vergunning terecht was omdat de vijvers niet voldeden aan de bestemmingsplanregels en dat de gehele aanvraag moest worden afgewezen omdat eiser geen deelvergunningen wilde ontvangen. De aarden wallen werden niet als bouwwerken aangemerkt, en het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden. Het beroep tegen de weigering werd ongegrond verklaard.
Ten aanzien van de last onder dwangsom stelde de rechtbank vast dat de overtredingen bestonden en dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Wel werd geoordeeld dat de hoogte van de dwangsom van €18.000 per overtreding niet in redelijke verhouding stond tot de aard en ernst van de overtredingen. De rechtbank verlaagde de dwangsom naar €8.000 per overtreding en herroept het invorderingsbesluit dat gebaseerd was op de te hoge dwangsom. Het beroep tegen het besluit over de dwangsom werd gegrond verklaard.
De rechtbank wees proceskosten toe aan eiser voor het beroep tegen het dwangsombesluit en bepaalde dat het college het griffierecht moest vergoeden. Het beroep tegen de vergunningweigering werd ongegrond verklaard, waardoor geen kostenvergoeding werd toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter Esmeijer en griffier Bijleveld.