De maatschap exploiteert een melkveehouderij en kreeg van de minister een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof en fosfaat volgens de Meststoffenwet. De boete werd na bezwaar licht verlaagd van €136.281 naar €136.170. De maatschap stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de maatschap de gebruiksnormen heeft overschreden. De maatschap slaagde er niet in om met betrouwbaar tegenbewijs de vastgestelde mestvoorraad, mestproductie en oppervlakte landbouwgrond te ontkrachten. De door de maatschap ingediende bedrijfsspecifieke excretieberekening (BEX) werd buiten beschouwing gelaten vanwege onvoldoende gescheiden voerstromen en onvolledige administratie.
De rechtbank stelt vast dat de minister terecht uitging van forfaitaire normen en dat de maatschap onvoldoende bewijs leverde voor de vermeende grotere mestvoorraad bij derden. Ook het bezwaar tegen de oppervlaktebepaling faalde. De opgelegde boete is volgens de rechtbank niet onevenredig en de maatschap kon geen verzachtende omstandigheden aanvoeren.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de boete blijft in stand en de maatschap krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 23 april 2026.