ECLI:NL:RBOVE:2026:1257

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
ak_24_794
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BPArt. 2 lid 5 BPArt. 4 lid 1 BPArt. 4.27 Invoeringswet OmgevingsrechtArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen gedoogplicht voor ondergrondse hoogspanningsverbinding Hengelo

De Stichting Twickel heeft beroep ingesteld tegen de aan haar opgelegde plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding tussen Hengelo Weideweg en Hengelo Oele. De minister van Infrastructuur en Waterstaat had deze gedoogplicht opgelegd na verzoek van netbeheerder TenneT, die geen overeenstemming kon bereiken met de Stichting over een opstalrecht.

De Stichting betoogde onder meer dat de minister ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar alternatieve tracés en dat TenneT onvoldoende pogingen had ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. De rechtbank oordeelt dat het tracé planologisch is vastgelegd in onherroepelijke bestemmingsplannen en dat bezwaren tegen het tracé in die procedures aan de orde behoren te komen. De minister mocht uitgaan van de gemaakte belangenafweging in die ruimtelijke besluiten.

Verder concludeert de rechtbank dat TenneT serieuze en redelijke pogingen heeft gedaan om met de Stichting tot overeenstemming te komen, onder meer via mediation en meerdere gesprekken, en dat het vasthouden aan een standaardovereenkomst met een opstalrecht voor onbepaalde tijd niet onredelijk is. De minister heeft het besluit van 4 december 2023 vervangen door een herstelbesluit van 12 augustus 2024, dat in deze procedure inhoudelijk wordt beoordeeld.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 4 december 2023 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2024 ongegrond. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan de Stichting.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 4 december 2023 is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2024 ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/794

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Twickel, uit Ambt Delden, eiseres, hierna: de Stichting

(gemachtigde: mr. B. Oudenaarden),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, hierna: de minister

(gemachtigden: mr. W.B. de Kleuver en mr. P.W.M. Lommerse).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: TenneT TSO B.V. uit Arnhem, hierna: TenneT
(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de aan de Stichting opgelegde plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele. De Stichting is het niet eens met de opgelegde gedoogplicht. Volgens de Stichting moet de vernietiging van de gedoogbeschikking door het Gerechtshof leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit en valt de nieuwe gedoogbeschikking buiten deze beroepsprocedure. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank moet de nieuwe gedoogbeschikking worden beschouwd als een vervanging van het bestreden besluit. Alleen deze nieuwe gedoogbeschikking kan in deze procedure inhoudelijk worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank slagen de hiertegen door de Stichting aangedragen beroepsgronden over alternatieve tracés en het ondernemen van onvoldoende pogingen om tot minnelijke overeenstemming te komen niet. In zoverre is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. TenneT heeft op 21 november 2022 aan de minister verzocht om op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP) onder andere de Stichting de plicht op te leggen tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele.
1.1.
Bij besluit van 23 juni 2023 heeft de minister deze plicht aan de Stichting opgelegd.
1.2.
In het bestreden besluit van 4 december 2023 heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De Stichting heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De minister heeft op 12 augustus 2024 een herstelbeschikking genomen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de Stichting de gemachtigde en ir. [naam 1] (rentmeester), de gemachtigden van de minister en namens TenneT de gemachtigde en mr. P.J. Berndes, mr. M.F. Hiddema en [naam 2]. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 24/4228. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. TenneT is de netbeheerder voor het Nederlandse hoogspanningsnet voor elektriciteit. TenneT wil, om aan de vraag naar elektriciteit te kunnen voldoen en overbelasting van het elektriciteitsnetwerk te voorkomen, onder andere hoogspanningsstations vernieuwen, bestaande hoogspanningsverbindingen versterken en nieuwe ondergrondse hoogspanningskabels aanleggen. Het bestaande elektriciteitsnet in Overijssel wordt uitgebreid met drie nieuwe ondergrondse 110kV-kabelverbindingen tussen de bestaande hoogspanningsstations, te weten Nijverdal - Rijssen, Almelo Mosterdpot - Hengelo Weideweg en Hengelo Weideweg - Hengelo Oele.
2.1.
In deze beroepsprocedure gaat het om de ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding tussen Hengelo Weideweg en Hengelo Oele. De ondergrondse verbinding wordt gedeeltelijk aangelegd door middel van een open ontgraving en gedeeltelijk door middel van een gestuurde boring. Het gaat hier om een traject van in totaal 5.7 km.
2.2.
De Stichting is eigenaar van een aantal percelen in onder meer de gemeenten Hof van Twente en Hengelo (Overijssel). Zij beheert daar een landgoed. De percelen worden gebruikt ten behoeve van de aanleg en instandhouding van natuur en/of ten behoeve van agrarische doeleinden. De ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding tussen Hengelo Weideweg en Hengelo Oele loopt voor vele kilometers over/door percelen waarvan de Stichting eigenaar is.
2.3.
De gemeenten Hengelo (Overijssel) en Hof van Twente hebben bestemmingsplannen vastgesteld ten behoeve van de aanleg van de hoogspanningsverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele.
2.4.
TenneT heeft geprobeerd met de Stichting overeenstemming te bereiken over de vestiging van een opstalrecht met het oog op het gebruik van deze percelen voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding. Omdat met de Stichting geen overeenstemming kon worden bereikt, heeft TenneT de minister verzocht aan haar de plicht op te leggen de aanleg en instandhouding van de ondergrondse hoogspanningsverbinding op haar percelen te gedogen.
2.5.
Bij besluit van 23 juni 2023 heeft de minister een gedoogplicht opgelegd aan (onder andere) de Stichting en het werk uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6.
De Stichting heeft op 25 augustus 2023 het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden verzocht om vernietiging van de door de minister opgelegde gedoogbeschikking van 23 juni 2023.
2.7.
De minister heeft in de beslissing op bezwaar van 4 december 2023 het bezwaar van de Stichting ongegrond verklaard.
2.8.
Bij uitspraak van 9 april 2024 [1] heeft het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden op het verzoek om vernietiging beslist en de gedoogbeschikking van 23 juni 2023 vernietigd, voor zover deze de Stichting betreft, en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.9.
Naar aanleiding van deze uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden heeft de minister op 12 augustus 2024 een herstelbeschikking genomen. Volgens de minister is deze beschikking een vervanging van het bestreden besluit.
2.10.
De Stichting heeft op 22 november 2024 het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden verzocht om vernietiging van de door de minister opgelegde gedoogbeschikking van 12 augustus 2024.
2.11.
Bij uitspraak van 27 mei 2025 [2] heeft het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden dit verzoek afgewezen.
Wettelijk kader
3. De BP is per 1 januari 2024 vervallen. In dit geval is vóór die datum mededeling gedaan en kennis gegeven van de terinzagelegging in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, van de BP. Op grond van artikel 4.27 van de Invoeringswet Omgevingsrecht blijft de BP daarom van toepassing op deze zaak.
3.1.
Artikel 1 van Pro de BP luidt:
Wanneer ten behoeve van openbare werken […] die ingevolge eene door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, […] een werk noodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan ieder die eenig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat de belangen van de rechthebbende redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor den aanleg en de instandhouding van het werk noodig is.
3.2.
Artikel 2, vijfde lid, van de BP luidt:
Is geen overeenstemming verkregen, dan kan eene verplichting, als bij artikel 1 bedoeld Pro, bij met redenen omkleede beslissing van Onzen Minister van Waterstaat, zoo noodig onder voorwaarden te stellen aan de verzoeker, worden opgelegd.
3.3.
Artikel 4, eerste lid, van de BP luidt:
Afschrift van eene beslissing, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 2 of Pro het tweede lid van artikel 3, wordt toegezonden aan den burgemeester der gemeente, binnen welke de onroerende zaak, waarop de beslissing betrekking heeft, is gelegen. Dit afschrift wordt door den burgemeester onverwijld ten gemeentehuize ter inzage gelegd en daarvan wordt mededeeling en kennisgeving gedaan op de wijze, als bepaald in het tweede lid van artikel 2. Binnen een maand, nadat het afschrift ter inzage is gelegd, kan ieder die eenig recht heeft ten aanzien van de onroerende zaak, aan het Gerechtshof, binnen het gebied waarvan die zaak gelegen is, vernietiging van de beslissing verzoeken op grond, dat daarbij ten onrechte is geoordeeld hetzij dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van die zaak redelijkerwijze onteigening niet vorderen hetzij dat in het gebruik van die zaak niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze voor den aanleg, de instandhouding, de verandering of de overbrenging van het werk noodig is.
Overwegingen
Bevoegdheidsverdeling Gerechtshof en de bestuursrechter
4. De rechtbank stelt vast dat zowel het Gerechtshof als de bestuursrechter bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen over een gedoogbeschikking als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de BP. Zoals ook is overwogen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [3] kan door rechthebbenden, op grond van artikel 4, eerste lid, van de BP, bij het Gerechtshof om vernietiging van een gedoogbeschikking worden verzocht op de grond dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat 1) 'de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van die zaak redelijkerwijs onteigening niet vorderen' of 2) 'in het gebruik van die zaak niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze voor de aanleg, de instandhouding, de verandering of de overbrenging van het werk nodig is'. De bevoegdheid van het Gerechtshof om kennis te nemen van geschillen over gedoogbeschikkingen is dus beperkt tot deze twee in artikel 4, eerste lid, van de BP genoemde toetsingsgronden. Los daarvan kunnen belanghebbenden bezwaar maken tegen een gedoogbeschikking bij de minister, tegen het besluit op bezwaar in beroep gaan bij de rechtbank en tegen die uitspraak in hoger beroep gaan bij de Afdeling. Beide procedures kunnen leiden tot vernietiging van de gedoogbeschikking. Echter, gelet op wat is bepaald in artikel 4, eerste lid, van de BP over de bevoegdheid van het Gerechtshof, is de bestuursrechter niet bevoegd om kennis te nemen van geschillen over gedoogbeschikkingen die gaan over de twee in artikel 4, eerste lid, van de BP genoemde toetsingsgronden.
Betekenis van de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden
5. De Stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de omstandigheid dat het Gerechtshof de gedoogbeschikking van 23 juni 2023 heeft vernietigd, automatisch voortvloeit dat ook het bestreden besluit van 4 december 2023 moet worden vernietigd. Uit de vernietiging van de gedoogbeschikking volgt immers dat de minister in de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit in stand kan worden gelaten. Volgens de Stichting maakt de gedoogbeschikking van 12 augustus 2024 geen onderdeel uit van deze beroepsprocedure en moet de minister eerst op het daartegen door de Stichting ingestelde bezwaar beslissen.
5.1.
Zoals volgt uit rechtsoverweging 4. moeten de beoordeling van de gedoogbeschikking door het Gerechtshof en de beoordeling van het bestreden besluit door de bestuursrechter strikt van elkaar worden gescheiden. Het Gerechtshof en de bestuursrechter beoordelen niet alleen een ander besluit (de gedoogbeschikking respectievelijk het besluit op bezwaar), maar ook de toetsingsgronden zijn anders. Het Gerechtshof is niet bevoegd om te oordelen over de toetsingsgronden die tot de bevoegdheid van de bestuursrechter behoren en de bestuursrechter is niet bevoegd te oordelen over de toetsingsgronden die tot de bevoegdheid van het Gerechtshof behoren.
5.2.
De minister heeft naar aanleiding van de vernietiging van de gedoogbeschikking van 23 juni 2023 door het Gerechtshof op 12 augustus 2024 een nieuwe gedoogbeschikking genomen. De minister heeft deze gedoogbeschikking (ook) naar de rechtbank gestuurd. Hierbij heeft de minister gewezen op artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en is vermeld dat het een vervanging van het bestreden besluit betreft.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 12 augustus 2024 worden aangemerkt als vervanging van het bestreden besluit van 4 december 2023 en heeft het beroep van rechtswege (ook) betrekking op het besluit van 12 augustus 2024 op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister met het nemen van het besluit van 12 augustus 2024 heeft beoogd het besluit van 4 december 2023 te vervangen, dat sprake is van samenhang met de beslissing op bezwaar van 4 december 2023 en dat het besluit van 12 augustus 2024 valt binnen de feitelijke grondslag en reikwijdte van het besluit van 4 december 2023. Dat het besluit van 12 augustus 2024 als een primair besluit moet worden gezien, zoals door de Stichting is betoogd, volgt de rechtbank dan ook niet. Een dergelijke interpretatie van het besluit strookt ook niet met de in het besluit van 12 augustus 2024 opgenomen beoordeling van de gronden van bezwaar. Daarnaast ligt het in het kader van procesefficiëntie en het bevorderen van effectieve geschilbeslechting niet in de rede om het besluit van 12 augustus 2024 niet binnen deze beroepsprocedure te beoordelen. Dat de rechtbank de Stichting niet expliciet in de gelegenheid heeft gesteld om haar standpunt ten aanzien van het besluit van 12 augustus 2024 kenbaar te maken, doet hier niet aan af. De rechtbank heeft dit besluit, toen zij dit van de minister in het kader van deze beroepsprocedure ontving, op 19 augustus 2024 doorgestuurd aan de Stichting. Van een professionele partij mag verwacht worden dat zij een actieve houding inneemt en, indien zij het ook niet eens is met dit besluit, dit kenbaar maakt en aangeeft waarom zij het niet eens is met dit besluit. Daar is voldoende tijd voor geweest.
5.4.
Het in rechtsoverweging 4. beschreven strikte onderscheid kan ertoe leiden dat het Gerechtshof - binnen de kaders van de eigen, exclusieve bevoegdheid - het primaire besluit vernietigt, terwijl de bestuursrechter - ook binnen de kaders van de eigen, exclusieve bevoegdheid - tot de conclusie komt dat het besluit op bezwaar de toets doorstaat. Ook het omgekeerde kan aan de orde zijn. Dat het Gerechtshof de gedoogbeschikking van 12 augustus 2024 niet heeft vernietigd, betekent daarom niet zonder meer dat de bestuursrechter dit besluit ook in stand laat.
Het bestreden besluit van 12 augustus 2024
6. Het bestreden besluit van 4 december 2023 is vervangen door het besluit van 12 augustus 2024. De rechtbank zal daarom eerst het besluit van 12 augustus 2024 beoordelen.
6.1.
De minister heeft - samengevat weergegeven - aan dit besluit ten grondslag gelegd dat TenneT met de Stichting minnelijk overleg heeft gevoerd welk overleg niet tot overeenstemming heeft geleid. De minister heeft kennis genomen van de door TenneT overgelegde stukken van het met de Stichting gevoerde minnelijk overleg en volgens de minister kan uit de onderliggende stukken worden geconcludeerd dat sprake is geweest van serieuze en redelijke onderhandelingssituaties. Naar de mening van de minister ligt onteigening hier niet in de rede, omdat het actuele (en resterende) gebruik van de gronden niet substantieel wordt aangetast. Evenmin is sprake van een bijzondere omstandigheid die onteigening zou rechtvaardigen. Verder heeft de minister overwogen dat het tracé, zoals dit planologisch is vastgelegd, in de gedoogplichtprocedure niet ter discussie staat.
Alternatieve tracés
7. De Stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar alternatieve tracés en het in de planologische procedures gekozen tracé als vaststaand feit heeft beschouwd.
7.1.
De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat het tracé van deze hoogspanningsverbinding is vastgelegd in bestemmingsplannen. Naar de mening van de minister staat het tracé, zoals dit planologisch is vastgelegd, in de gedoogplichtprocedure niet ter discussie.
7.2.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 28 juni 2023 [4] , kan de vraag of een alternatieve route minder bezwaarlijk is en daarom had moeten worden gekozen, aan de orde komen in een bestuursrechtelijke procedure. De gedoogbeschikking is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Dat betekent dat de minister uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding de nodige kennis moet vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, de bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en het besluit deugdelijk moet motiveren. Daarbij dient de minister aangedragen alternatieve tracés te betrekken in relatie tot onderliggende ruimtelijke besluitvorming. Voor zover die alternatieve tracés al zijn betrokken in de ruimtelijk relevante besluiten die de uitvoering van het werk juridisch-planologisch mogelijk maken, mag de minister uitgaan van de in dat kader verrichte belangenafweging. Bezwaren tegen de gedoogbeschikking die gaan over de tracékeuze behoren immers aan de orde te worden gesteld in de procedure over deze ruimtelijke besluiten.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval het juridisch-planologisch kader voor de ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele wordt gevormd door de bestemmingsplannen die gelden op de betrokken percelen. Voor de gemeente Hengelo (Overijssel) is dit het "Parapluplan ondergrondse 110 kV-kabelverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele", vastgesteld op 8 juni 2022. Voor de gemeente Hof van Twente is dit het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, herziening hoogspanning tracé Oele – Hengelo", vastgesteld op 13 september 2022. De Stichting heeft beroep ingesteld tegen voornoemd bestemmingsplan van de gemeente Hengelo. De Afdeling heeft over dat beroep op 10 juli 2024 een tussenuitspraak [5] gedaan en bij uitspraak van 24 december 2024 [6] heeft de Afdeling het beroep tegen het gewijzigde "Parapluplan ondergrondse 110kV kabelverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele" ongegrond verklaard. Daarmee zijn de bij dit tracé betrokken bestemmingsplannen onherroepelijk geworden. In deze bestemmingsplannen is het tracé van de ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele exact vastgelegd.
7.4.
De rechtbank overweegt dat de minister aangedragen alternatieve tracés dient te betrekken in relatie tot onderliggende ruimtelijke besluitvorming. Voor zover die alternatieve tracés al zijn betrokken in de ruimtelijk relevante besluiten die de uitvoering van het werk juridisch-planologisch mogelijk maken, mag de minister uitgaan van de in dat kader verrichte belangenafweging. Dat heeft de minister hier ook gedaan. Bezwaren tegen de gedoogbeschikking die gaan over de tracékeuze behoren aan de orde te worden gesteld in de procedure over deze ruimtelijke besluiten. De Stichting wordt daarom niet gevolgd in het betoog dat de minister bij het opleggen van de gedoogplicht ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar alternatieve tracés. Voor het opnieuw bezien van alternatieve tracés in de procedure over de gedoogbeschikking is, gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling, voor de minister geen ruimte en de rechtbank volgt deze vaste rechtspraak. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het minnelijke overleg
8. Volgens de Stichting heeft de minister ten onrechte vastgesteld dat TenneT voldoende pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming met de Stichting te komen. TenneT heeft geen maatwerk geleverd en heeft enkel onverkort willen vasthouden aan de eigen standaardovereenkomst. Daarom is naar de mening van de Stichting ten onrechte geconcludeerd dat voldoende concrete pogingen tot het bereiken van minnelijke overeenstemming zijn ondernomen.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [7] volgt uit artikel 2, vijfde lid, van de BP dat de minister een gedoogplicht pas kan opleggen, als langs minnelijke weg redelijkerwijs niet de gewenste vorm van overeenstemming kan worden bereikt. In dat kader moet de minister zich ervan vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Daarbij moet de minister onderzoeken of de voorstellen tot vergoeding niet op voorhand onwerkelijk en onredelijk zijn.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat TenneT het contact dat zij met de Stichting heeft gehad in de periode voorafgaand aan het opleggen van de gedoogplicht heeft bijgehouden in een logboek. Uit dat logboek blijkt dat vanaf 5 juli 2019 sprake is geweest van voortgaand contact en overleg tussen TenneT en de Stichting. In december 2019 hebben gesprekken plaatsgevonden waarbij TenneT de standaard Zakelijk Recht Overeenkomst (hierna: ZRO) heeft aangeboden. De Stichting heeft daarop aangegeven zich aan te sluiten bij de voorwaarden die de Federatie Particulier Grondbezit graag opgenomen ziet. TenneT heeft hierover navraag gedaan. Bij brief van 26 augustus 2020 heeft TenneT de Stichting laten weten dat zij niet tegemoet kan komen aan de voorwaarden die de Stichting stelt wat betreft de looptijd, de jaarlijkse retributie en het gebruik. Vervolgens hebben tussen 5 januari 2021 en 2 maart 2021 mediation gesprekken plaatsgevonden tussen TenneT en de Stichting, onder begeleiding van een gecertificeerde mediator. Deze gesprekken hebben niet tot overeenstemming geleid over de cruciale punten looptijd en gebruiksvergoeding. Op 11 juni 2021 heeft weer een gesprek plaatsgevonden tussen TenneT en de Stichting over het afsluiten van de ZRO's. Uit een op 28 juli 2022 gevoerd overleg volgt dat TenneT en de Stichting elkaars standpunt erkennen maar dat geen overeenstemming wordt bereikt. TenneT kan niet instemmen met de door de Stichting geschetste voorwaarden voor het vestigen van een zakelijk recht.
8.3.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat TenneT een standaardovereenkomst met bijbehorende algemene voorwaarden hanteert waarvan zij in beginsel niet wenst af te wijken, niet betekent dat haar voorstel op voorhand als onwerkelijk of onredelijk moet worden aangemerkt. De minister moet zich ervan vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Daarbij moet de minister onderzoeken of de voorstellen tot vergoeding niet op voorhand onwerkelijk en onredelijk zijn. Als de belangen van de betrokkene daartoe aanleiding geven, dan moet wel afgeweken kunnen worden van de standaardovereenkomst. [8]
8.4.
Dat TenneT vasthoudt aan een zakelijk recht voor onbepaalde duur, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een redelijk en serieus overleg. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2017 [9] . In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat TenneT niet akkoord is gegaan met het voorstel om de duur van het recht van opstal tot in beginsel 50 jaar te beperken, niet betekent dat de minister het aanbod van TenneT had moeten aanmerken als onwerkelijk of onredelijk. De Afdeling heeft daarbij van belang geacht dat het vanwege het uitgangspunt een zakelijk recht voor onbepaalde tijd te verkrijgen mogelijk moet blijven dat de hoogspanningsverbinding in gebruik blijft na afloop van die termijn. De rechtbank overweegt dat dit ook aan de orde is bij de ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele. Alleen met een opstalrecht voor onbepaalde tijd kan TenneT, gelet op haar wettelijke taak, de duurzame ligging en instandhouding van de hoogspanningsverbinding garanderen.
8.5.
De rechtbank overweegt verder dat bij het opleggen van een gedoogplicht krachtens de BP geen verplichting bestaat tot het betalen van een retributie. In het licht hiervan bestaat geen aanleiding om de Stichting te volgen in het stelling dat TenneT, door in de onderhandelingsfase voorafgaand aan het verzoek om een gedoogplicht op te leggen niet in een periodieke retributie te willen voorzien, geen serieuze en redelijke poging heeft ondernomen om met hen langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. TenneT heeft gedurende het minnelijke overleg overigens meerdere (financiële) aanbiedingen aan de Stichting gedaan.
8.6.
Onder verwijzing naar de in rechtsoverweging 8.2 beschreven activiteiten en de oordelen in de rechtsoverwegingen 8.4 en 8.5 mocht de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat door TenneT een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ter zitting genoemde gronden
9. Ter zitting is de Stichting expliciet in de gelegenheid gesteld nog gronden in te brengen tegen het besluit van 12 augustus 2024. Hierbij heeft de Stichting gewezen op de zienswijze tegen het ontwerpbesluit dat bij de stukken zou zitten en is gesteld dat niet nogmaals op het verzoek uit 2022 kan worden beslist. Ook is gewezen op het bij het Gerechtshof ingediende verzoekschrift.
9.1.
De rechtbank heeft de door de Stichting aangehaalde zienswijze en het genoemde verzoekschrift niet in het procesdossier aangetroffen.
9.2.
Het betoog dat het besluit van 12 augustus 2024 geen stand zou kunnen houden, omdat niet nogmaals op het in 2022 ingediende verzoek kan worden beslist, faalt. Zoals ook volgt uit rechtsoverweging 5.3 merkt de rechtbank het besluit aan als een (vervanging van een) beslissing op bezwaar en binnen het bestuursrechtelijke kader staat niets hieraan in de weg.
Het bestreden besluit van 4 december 2023
10. Nu de beroepsgronden tegen het besluit van 12 augustus 2024 ongegrond zijn en dit besluit het besluit van 4 december 2023 vervangt, leidt dit ertoe dat het besluit van 4 december 2023 geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden, en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de Stichting geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van haar beroep tegen het besluit van 4 december 2023. In verband hiermee is het beroep van de Stichting tegen het besluit van 4 december 2023 niet-ontvankelijk.
11. Omdat de minister, na het instellen van het beroep door de Stichting, het besluit van 4 december 2023 heeft vervangen door het besluit van 12 augustus 2024 ziet de rechtbank aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en dient het griffierecht aan de Stichting te worden vergoed.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 december 2023, is niet-ontvankelijk, omdat de Stichting daar geen belang meer bij heeft.
12.1.
Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 12 augustus 2024, is ongegrond.
12.2.
In deze zaak is € 371,- aan griffierecht geheven. Dit bedrag dient aan de Stichting te worden vergoed.
12.3.
De Stichting krijgt een vergoeding van haar in beroep gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt de Stichting een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt daarmee in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 december 2023, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 12 augustus 2024, ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan de Stichting vergoedt;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de Stichting.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. F.J. van der Vaart, leden, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2380.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1597.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2023 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2023:2378.