Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
primair) al dan niet met anderen schuldig heeft gemaakt aan oplichting dan wel (
subsidiair) in die periode medeplichtig is geweest aan oplichting door [medeverdachte] en/of dit strafbare feit heeft uitgelokt;
weg te nemenen zich
toe te eigenen. De feitelijke heerschappij moet kunnen worden verplaatst. De enkele omstandigheid dat een object op geld waardeerbaar is en een bepaalde waarde vertegenwoordigt is niet toereikend voor het oordeel dat het gaat om een ‘goed’. [4]
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De schade van benadeelden
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;
een geldboete van € 1.000,-- (zegge: duizend euro);
20 (twintig) dagen;
[naam 13],
[naam 12],
[naam 14]en
[naam 11]in het geheel niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, en dat de benadeelde partijen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;