ECLI:NL:RBOVE:2022:1120
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs gewoontewitwassen van 1,7 miljoen euro
De rechtbank Overijssel behandelde de zaak van een 67-jarige verdachte die werd verdacht van gewoontewitwassen van in totaal €1.716.371,10 over de periode 2001 tot 2014. De tenlastelegging betrof het verborgen houden van de herkomst en het gebruik van dit geldbedrag, waarvan werd aangenomen dat het afkomstig was uit misdrijf.
Tijdens de zittingen op 31 maart en 14 april 2022 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken. De verdediging voerde onder meer verjaring aan en stelde dat er onvoldoende bewijs was voor een vermoeden van witwassen, mede gelet op het ontbreken van direct bewijs van een brondelict. De rechtbank oordeelde dat het beroep op verjaring faalde en dat de officier van justitie ontvankelijk was.
Het onderzoek toonde witwastypologieën zoals het storten van geld op Zwitserse bankrekeningen en het fysiek vervoeren van contanten, maar deze konden ook worden verklaard door het buiten het zicht houden van vermogen voor de belastingdienst. Verdachte had bovendien softdrugs verkocht vanuit gedoogde cafés, maar er was geen bewijs dat hij zich schuldig maakte aan andere strafbare feiten. De rechtbank concludeerde dat onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig waren om wettig en overtuigend bewijs te leveren voor witwassen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij en gelastte de teruggave van het in beslag genomen bedrag van circa €1.700.000,00 op de Zwitserse bankrekening. De rechtbank verklaarde tevens dat geen Nederlands strafrecht zich verzet tegen de vrijgave van het bevroren banksaldo door Zwitserse autoriteiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van gewoontewitwassen.