Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[eiser 1] ,en
[eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
1.[gedaagde 1] ,wonende te [woonplaats]
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde 3],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
[gedaagde 4],
wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde 5],
gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [plaats] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 30 september 2020;
- de aanvullende producties 39 tot en met 41 van de zijde van [eiser 1] c.s.;
- de aanvullende producties 13 en 14 van de zijde van [gedaagde 3] c.s.;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 januari 2021 en de aanmerkingen daarop van mrs. Versteeg en Kroep, alsmede de reactie van mr. Hoogeveen op die aanmerkingen;
2.De feiten
(…)
2. Na afloop van elk boekjaar (…) worden de boeken van de vennootschap afgesloten en worden uiterlijk binnen zes maanden daarna een balans en een winst-en-verliesrekening opgemaakt.
4. Vaststelling van de waarde van het wegens overbedeling verschuldigde zal geschieden in onderling overleg tussen de vennoten en bij gebreke van overeenstemming door een groep deskundigen (…)”
over beklaagd dat [gedaagde 4] tekort is geschoten in de op hem rustende zorgplicht jegens [eiser 1] c.s. door de VOF onjuist te waarderen, door op te treden voor zowel hen als [gedaagde 1] c.s. en door te weigeren aan [eiser 1] c.s. stukken te verstrekken ter onderbouwing van de waardering van de VOF. Bij beslissing van 11 december 2019 heeft de klachtencommissie deze klachten gegrond verklaard, waarbij zij onder meer heeft opgemerkt dat zij zich niet uitlaat over de juistheid van de waardering van het tankstation.
3.Het geschil
€ 467.000,-, althans € 231.538,-, althans € 197.600,- althans een bedrag dat zal worden vastgesteld door een door de rechtbank te benoemen deskundige, althans een door de rechtbank in goede justitie te begroten bedrag, althans bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% per jaar, althans de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente en [gedaagde 1] c.s. zowel hoofdelijk, als ieder afzonderlijk, althans één van hen te veroordelen tot betaling van voornoemde bedragen;
4.De beoordeling
niet hebben gewezen op de mogelijke financiële gevolgen daarvan. [gedaagde 3] c.s. betogen dat de zorgplicht van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet zo ver reikt, aangezien zij niet hoeven te voorkomen dat een opdrachtgever “domme dingen” doet, maar miskennen hiermee dat een ‘domme keuze’ een voldoende geïnformeerde opdrachtgever impliceert.
5.De beslissing
26 mei 2021voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage, de persoon van de deskundige en de voorgestelde vragen;