ECLI:NL:RBOBR:2026:648

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
25/870
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PwArt. 31 PwArt. 32 PwArt. 54 PwArt. 58 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gokinkomsten

Eiseres ontving bijstand en had inkomsten uit gokactiviteiten in mei, september en november 2024 die zij niet meldde aan Senzer, het bestuursorgaan. Senzer trok daarom het recht op bijstand over mei en september 2024 in, herzag de bijstand over november 2024 en vorderde teveel ontvangen bijstand terug.

Eiseres voerde aan dat de inlegkosten voor het gokken in mindering hadden moeten worden gebracht, verwijzend naar een eerdere uitspraak. De rechtbank volgde dit niet, omdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft vastgesteld dat bij de vaststelling van het inkomen geen rekening wordt gehouden met verwervingskosten zoals inleg bij gokken.

De rechtbank oordeelde dat Senzer terecht heeft gehandeld en dat de terugvordering niet onredelijk is, ook niet gezien de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking, herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde gokinkomsten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/870

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en

dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Senzer, Senzer

(gemachtigde: mr. D.L. Slegers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiseres over de maanden mei en september 2024, de herziening van het recht op bijstand over de maand november 2024 en de terugvordering van teveel ontvangen bijstand. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking, herziening en terugvordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Senzer terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken en heeft herzien. Ook heeft Senzer terecht de teveel ontvangen bijstand teruggevorderd. De reden hiervoor is dat eiseres in de maanden mei, september en november 2024 inkomsten uit gokactiviteiten heeft gehad die zij niet heeft gemeld aan Senzer. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 januari 2024, verzonden op 24 januari 2024, (het primaire besluit) heeft Senzer het recht op bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) over de maanden mei en september 2024 ingetrokken, het recht op bijstand over de maand november 2024 herzien en een bedrag van € 3.042,42 aan teveel ontvangen bijstand teruggevorderd.
2.1.
Met het besluit van 31 maart 2025, verzonden op 2 april 2025, (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is Senzer bij de intrekking, herziening en terugvordering gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd met toestemming van de beschermingsbewindvoerder van eiseres het beroep te hebben ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Senzer. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres woont begeleid en staat sinds 22 december 2023 onder bewind. Zij ontvangt sinds 7 november 2024 een bijstandsuitkering naar de jongerennorm, aangevuld met bijzondere bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hierop wordt maandelijks € 192,- in mindering gebracht vanwege het ontbreken van woonlasten.
3.1.
Eerder ontving eiseres een bijstandsuitkering over de periode 4 januari tot 1 oktober 2024. Deze uitkering is beëindigd omdat eiseres twee keer niet heeft gereageerd op een uitnodiging om te verschijnen voor een rechtmatigheidsonderzoek. Op de bankafschriften die eiseres heeft ingeleverd waren bijschrijvingen zichtbaar van goksites en derden, waarover Senzer eiseres wilde bevragen.
3.2.
Naar aanleiding van voornoemde bijschrijvingen heeft er een heronderzoek plaatsgevonden. Hierbij is de periode vanaf mei 2024 beoordeeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat eiseres bij goksites Bet365 en Unibet spellen speelt en gokt op wedstrijden.
3.3.
In de periode dat eiseres bijstand heeft ontvangen heeft zij de volgende gokinkomsten gehad:
mei 2024: € 3.140,17
september 2024: € 2.097,03
november 2024: € 276,63
3.4.
Vanwege deze niet gemelde gokinkomsten heeft Senzer met het primaire besluit het recht op bijstand van eiseres over de maanden mei en september 2024 definitief ingetrokken en over de maand november 2024 herzien. Eiseres moet een bedrag van € 3.042,42 aan teveel ontvangen bijstand terugbetalen.
3.5.
Met het bestreden besluit heeft Senzer het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit met een uitbreiding van de motivering gehandhaafd. Senzer stelt zich, kort samengevat op het standpunt dat de inkomsten uit gokactiviteiten in de maanden mei en september 2024 meer bedroegen dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en dat dit de volledige intrekking van het recht op bijstand in die maanden rechtvaardigt. Omdat de inkomsten in de periode van 7 november tot en met 30 november 2024 lager waren dan de bijstandsnorm, wordt het recht op bijstand in deze periode herzien. De hierdoor teveel ontvangen bijstand ter hoogte van € 3.048,97 wordt door Senzer bruto teruggevorderd. Senzer ziet geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. In dit verband wijst Senzer er op dat de schuld door eigen toedoen is ontstaan en eiseres hetgeen ze teveel heeft ontvangen terug dient te betalen. Er is volgens Senzer niet gebleken van onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering. Bij de invordering geniet eiseres volgens Senzer de bescherming van de beslagvrije voet en het kwijtscheldingsbeleid biedt op termijn perspectief op een schuldenvrij bestaan.
3.6.
Bij voornoemd besluit heeft Senzer het advies van de bezwaarschriftencommissie meegewogen. De commissie heeft, kort samengevat, vastgesteld dat niet in geschil is dat eiseres inkomsten uit gokken heeft gehad en de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het terug te vorderen bedrag. Volgens de commissie hoefde Senzer geen rekening te houden met de door eiseres ingelegde bedragen. De commissie wijst er op dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] de kosten van verwerving van inkomen worden gerekend tot de algemene noodzakelijke bestaanskosten, die uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan. Daarom is bij de vaststelling van het in het kader van de Pw in aanmerking te nemen inkomen geen plaats voor verrekening van verwevingskosten. De commissie is verder van mening dat Senzer in de situatie van eiseres terecht geen dringende redenen aanwezig heeft geacht die maken dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien. Daarbij heeft de commissie betrokken dat eiseres haar standpunt dat zij een serieuze drang naar gokken, hetgeen bijvoorbeeld zou blijken uit de tijdstippen waarop zij op de meest onbekende wedstrijden geld heeft ingelegd, verder niet onderbouwd.

Wat vindt eiseres?

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij is, kort gezegd, van mening dat de door haar ingelegde bedragen ten onrechte niet door Senzer zijn betrokken. Er is sec naar de inkomsten gekeken, terwijl eiseres ook duidelijke uitgaven heeft gehad in verband met die inkomsten. Door het besteedbaar inkomen niet aan de hand van de aangeleverde gegevens vast te stellen heeft Senzer volgens eiseres onzorgvuldig gehandeld. Eiseres wijst er op dat zij in de bezwaarprocedure heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2024 [2] waarin is geoordeeld dat er ook rekening gehouden dient te worden met de inleg van gokken. Eiseres meent dat Senzer, door niet naar de uitgaven te kijken, niet naar de meest juiste feitelijke situatie kijkt. Daarbij is volgens eiseres van belang dat gokken veelal meer kost dan het oplevert. Eiseres doet vanwege haar bijzondere situatie een beroep op dringende redenen. Zij merkt in dit verband op dat zij destijds een serieuze drang naar gokken had. Volgens eiseres is het bezwaardossier waaruit blijkt dat zij bijvoorbeeld in de late nachtelijke uren op de meest vreemde wedstrijden heeft gegokt hiervoor een onderbouwing. Ook wijst zij op haar registratie bij Cruks [3] , waardoor zij gedwongen werd om te stoppen met gokken. Verder is volgens eiseres van belang dat zij vanwege dit voorval maandenlang op een nog lager inkomensniveau zal moeten leven. Zij wordt dus gestraft vanwege de onjuiste berekening van het besteedbaar inkomen, hetgeen onevenredig is.

Beoordeling door de rechtbank

5. Niet is in geschil dat eiseres gokactiviteiten heeft verricht in de maanden mei, september en november 2024. Eiseres betwist ook niet dat zij, door deze activiteiten niet te melden bij Senzer, de inlichtingenplicht heeft geschonden.
6. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor herziening en intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
7. Volgens vaste rechtspraak [4] is het bij online gokactiviteiten voor de vaststelling van het recht op bijstand van belang welke inkomsten er zijn uit het gokken. De ontvangen inkomsten zijn immers van invloed op het recht op bijstand omdat de bijstandsgerechtigde de inkomsten uit gokken vrij kan besteden voor zijn levensonderhoud. Dat bij de vaststelling van de inkomsten uit gokken rekening moet worden gehouden met de inlegkosten, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die eiseres heeft aangehaald door de CRvB bij uitspraak van 26 november 2024 is vernietigd. [5] De CRvB heeft in die uitspraak geoordeeld dat de wetgever uitdrukkelijk de bedoeling heeft gehad dat geen rekening wordt gehouden met verwervingskosten. Bij gokken is het doel om inkomsten te verkrijgen. Daarnaast is bepalend of de gemaakte kosten verband houden met het verkrijgen van de inkomsten uit de betreffende activiteiten. Dat is bij gokken het geval. Het maken van kosten in de vorm van inleggelden is namelijk noodzakelijk om inkomsten te verkrijgen. Zonder inleg zal er geen uitbetaling plaatsvinden en reeds daarom zijn de inleggelden volgens de CRvB aan te merken als verwervingskosten. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om op dit punt af te wijken van deze vaste rechtspraak. Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat Senzer bij het vaststellen van de inkomsten uit de gokactiviteiten van eiseres terecht geen rekening heeft gehouden met de inlegkosten.
8. Op grond van wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat Senzer op goede gronden de bijstandsuitkering van eiseres over de maanden mei en september 2024 heeft ingetrokken en heeft herzien over de maand november 2024.
9. Omdat eiseres ten onrechte bijstand heeft ontvangen als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, is Senzer verplicht om de te veel betaalde bijstand terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan Senzer besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
10. De CRvB heeft in vier uitspraken van 10 december 2024 [6] tot uitdrukking gebracht dat een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Senzer hetgeen eiseres heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om van terugvordering af te zien. Daarbij heeft Senzer van belang mogen achten dat de terugvordering niet door toedoen van Senzer is ontstaan, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door eiseres. Door geen melding te maken van de inkomsten uit gokactiviteiten heeft eiseres Senzer benadeeld, omdat hierdoor teveel bijstand is betaald. Dat eiseres destijds een serieuze drang naar gokken had, maakt dat niet anders. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 2 september 2025. [7] Ook in de omstandigheid dat eiseres maandenlang op een nog lager inkomstenniveau zal moeten leven, heeft Senzer geen aanleiding hoeven zien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Senzer heeft in dat verband kunnen opmerken dat eiseres wordt beschermd door de regels omtrent de beslagvrije voet en dat het kwijtscheldingsbeleid op termijn perspectief biedt op een schuldenvrij bestaan. De rechtbank overweegt verder dat in rechtsoverweging 7 is geoordeeld dat Senzer terecht geen rekening heeft gehouden met de inlegkosten. Reeds hierom kan de stelling van eiseres dat de terugvordering onevenredig is omdat zij wordt gestraft vanwege de onjuiste berekening van het besteedbaar inkomen niet slagen. Van andere omstandigheden die de terugvordering disproportioneel of onredelijk zouden maken is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 17, eerste lid, van de Pw
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 31, eerste lid, van de Pw
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.
Artikel 32, eerste lid, van de Pw
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van Pro de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de Pw
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid, van de Pw
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.de uitspraken van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2320 en van 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798.
3.Centraal Register Uitsluiting Kansspelen.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:748.