ECLI:NL:RBOBR:2026:4735

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/3315
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) art. 1 en 2Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Besluit WTS) art. 6, 9 en 15Art. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep WOZ-waarde en geschil over taxatierapport

Belanghebbende stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak en bepleitte een lagere waarde. De heffingsambtenaar kwam deels tegemoet door de WOZ-waarde te verlagen, waarna belanghebbende het beroep introk en een proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar aan belanghebbende was tegemoetgekomen en oordeelde dat dit het geval was, waardoor een proceskostenvergoeding op zijn plaats was. De hoogte van de vergoeding was echter onderwerp van geschil, met name de vergoeding voor het taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters.

Belanghebbende stelde dat de taxateur twee uur aan het rapport had gewerkt en een hoger uurtarief van €59 moest gelden, terwijl de heffingsambtenaar een tijdsinvestering van tien minuten en een tarief van €53 hanteerde. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de taxateur daadwerkelijk twee uur had besteed, mede gelet op de geautomatiseerde totstandkoming van het rapport en de grote aantallen soortgelijke rapporten.

De rechtbank wees ook het verzoek af om de tijdsinvestering af te ronden op een half uur vanwege het risico op overcompensatie. Het gehanteerde tarief van €53 werd ondanks intrekking van de richtlijn als passend beschouwd. Uiteindelijk kende de rechtbank een vergoeding van €10,69 toe voor het taxatierapport en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van in totaal €421,38 aan proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van €421,38 aan proceskosten, waarbij de vergoeding voor het taxatierapport wordt beperkt tot €10,69 wegens onvoldoende aannemelijkheid van de opgegeven tijdsinvestering.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3315

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Land van Cuijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de WOZ-waarde van de onroerende zaak van belanghebbende. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 20 november 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de per 1 januari 2024 vastgestelde WOZ-waarde van € 620.000 van de in overweging 1. bedoelde onroerende zaak. Belanghebbende heeft een lagere waarde (van € 571.000) bepleit. De heffingsambtenaar heeft op 1 mei 2026 aan belanghebbende bij wijze van compromis voorgesteld om de WOZ-waarde te verlagen (naar € 585.000). Belanghebbende is hiermee op 14 mei 2026 akkoord gegaan. De heffingsambtenaar is dus met het (alsnog) verlagen van de WOZ-waarde tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende. Met de brief van 14 mei 2026 heeft belanghebbende het beroep ingetrokken en de rechtbank gevraagd om een proceskostenvergoeding uit te spreken.
4.2.
In de beroepen met zaaknummers SHE 25/3629, SHE 25/3636 en SHE 25/3637 speelt in essentie dezelfde kwestie als in dit verzoek, namelijk de hoogte van de kostenvergoeding voor het namens belanghebbende ingediende taxatierapport. Belanghebbenden in genoemde beroepen worden vertegenwoordigd door Het nieuwe WOZ bureau B.V. (HNWB) en de heffingsambtenaar is ook in die zaken het verwerend bestuursorgaan. In de genoemde drie beroepen hebben partijen hun standpunten uitvoerig schriftelijk toegelicht (met een beroepschrift, verweerschrift en conclusies van repliek en dupliek). De rechtbank heeft partijen op 5 juni 2026 laten weten dat zij ervan uitgaat dat partijen in dit verzoek dezelfde standpunten innemen als in de genoemde drie beroepen, tenzij partijen (voor uiterlijk 18 juni 2026) laten weten dat dit niet het geval is. Een bericht met laatstgenoemde strekking is door de rechtbank niet ontvangen.
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding voor de proceskosten en de heffingsambtenaar is het ermee eens dat hij die vergoeding moet betalen. Alleen de hoogte van die vergoeding is tussen partijen in geschil, maar dat staat niet in de weg aan een vereenvoudigde afdoening door de rechtbank. [3]
Het voorstel van de heffingsambtenaar
5.1.
De heffingsambtenaar heeft op 1 mei 2026 het volgende voorstel aan belanghebbende gedaan met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten:
Bezwaarschrift (1 punt, wegingsfactor 1)
(WOZ-beschikking van nà 1 januari 2024 met WOZ-factor 0,125 per 1 januari 2025)
€ 83,25
Horen (1 punt, wegingsfactor 1)
(WOZ-beschikking van nà 1 januari 2024 met WOZ-factor 0,125 per 1 januari 2025)
€ 83,25
Beroepschrift (1 punt, wegingsfactor 1)
(uitspraak op bezwaar van nà 1 januari 2024, WOZ-factor 0,25 van toepassing)
€ 233,50
10 minuten á € 10,69 voor de aanwezigheid van de taxateur bij de schriftelijke hoorzitting, zoals afgesproken op 3 juli 2025;
€ 10,69
Deskundigenrapport Woning Waarderingsmeesters
€ 10,69
Griffierecht (2025)
€ 53,00
Totaal
€ 474,38
De rechtbank oordeelt niet over een vergoeding van het griffierecht
5.2.
De heffingsambtenaar is verplicht het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden. [4] De rechtbank kan daar in het kader van deze procedure geen uitspraak over doen. Belanghebbende moet zich hiervoor tot de heffingsambtenaar wenden.
Partijen zijn het op de kosten van het taxatierapport na eens over de vergoeding
5.3.
De rechtbank stelt verder vast dat belanghebbende het op één onderdeel na eens is met het voorstel van de heffingsambtenaar over de vergoeding van de proceskosten. Het onderdeel waar belanghebbende het niet mee eens is betreft de voorgestelde vergoeding voor het deskundigenrapport van Woning Waarderingsmeesters tot een bedrag van € 10,69. Wat de andere onderdelen van de proceskostenvergoeding betreft zal de rechtbank zich aansluiten bij het standpunt van partijen.
De kosten van het taxatierapport
6. HNWB heeft in de bezwaarfase namens belanghebbende een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters ingediend (hierna: het taxatierapport). Dit rapport is opgesteld onder verantwoordelijkheid van en ondertekend door de heer [naam]. Belanghebbende is het niet eens met de door de heffingsambtenaar gehanteerde tijdsinvestering van (1/6e uur dus) 10 minuten en het gehanteerde uurtarief van € 53. Belanghebbende is het verder wel eens met de andere uitgangspunten van de heffingsambtenaar, dus dat sprake is van een niet-inpandige opname van een woning en dat de totale vergoeding moet worden vermeerderd met 21% btw.
6.1.
De tijdsinvestering bedraagt volgens belanghebbende 2 uur, zoals volgt uit de overgelegde factuur van Woning Waarderingsmeesters. Belanghebbende wijst erop dat het taxatierapport meer omvat dan alleen een korte controle of geautomatiseerde berekeningen. Het taxatierapport geeft een gedegen en volledig beeld van de voorgestelde waarde, onder andere door een analyse van de referentietransacties, KOUDV(L)-correcties, foto’s en een integrale waardering. Belanghebbende zegt dat bij de totstandkoming van dit taxatierapport daadwerkelijk tijd is besteed aan het selecteren, analyseren en corrigeren van de referenties en het verwerken van de door belanghebbende aan zijn taxateur verstrekte gegevens. Daarnaast is het taxatierapport zorgvuldig uitgewerkt in een controleerbare taxatiematrix, voorzien van brongegevens en foto’s. Belanghebbende ziet dit standpunt bevestigd in diverse rechterlijke uitspraken. [5]
6.2.
Belanghebbende vindt verder dat een uurtarief van € 59,00 moet worden gehanteerd, omdat dit het door Woning Waarderingsmeesters gehanteerde uurtarief is. Belanghebbende wijst er verder op dat dit uurtarief in lijn is met wat er in de markt voor een vergelijkbare taxatie wordt gevraagd.
6.3.
Belanghebbende vindt dat uit de toepasselijke regelgeving [6] volgt dat de hiervoor genoemde tijdsinvestering en uurtarief maatgevend zijn voor de kostenvergoeding. Uitgaande van een tijdsinvestering van 2 uur en vermeerderd met 21% btw betekent dit een totale vergoeding van € 142,78. Belanghebbende is het ermee eens dat in bijzondere omstandigheden [7] van de hiervoor genoemde regelgeving kan worden afgeweken, maar dat ook dan geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voor zover de rechtbank daartoe aanleiding ziet, bepleit belanghebbende subsidiair een vergoeding van € 120 wat een gemiddelde zou zijn van prijzen in de openbare markt voor de taxatie van aan de onroerende zaak vergelijkbare objecten. Meer subsidiair bepleit belanghebbende een vergoeding van € 111,57 als wordt uitgegaan van een minimale tijdsbesteding van een half uur. [8] Uiterst subsidiair bepleit belanghebbende een vergoeding van € 95, wat de prijs aan de onderkant van de hiervoor omschreven markt betreft.
7. De heffingsambtenaar blijft bij zijn standpunt dat de door hem toegekende proceskostenvergoeding niet te laag is.
7.1.
In de beroepen met zaaknummers SHE 25/3629, SHE 25/3636 en SHE 25/3637 wijst de heffingsambtenaar (in zijn conclusie van dupliek) op een uitspraak waarin is geoordeeld dat dat taxateur van belanghebbende geen deskundige is [9] en verder twee uitspraken waarin is geoordeeld dat het door de taxateur van belanghebbende ingediende taxatierapport geen deskundigenbericht is. [10]
7.2.
De heffingsambtenaar vindt nog steeds dat sprake is van een tijdsinvestering van tien minuten. Bestudering van het taxatierapport maakt volgens de heffingsambtenaar duidelijk dat de totstandkoming van het taxatierapport grotendeels geautomatiseerd gebeurt op basis van gegevens uit openbare bronnen. Het taxatierapport bestaat gedeeltelijk uit repeterende gegevens die standaard in elk taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters zijn opgenomen. Van de 12 tot 14 pagina’s waaruit een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters standaard bestaat, brengen pagina 2 (verantwoording en taxatiemethodiek), pagina 3 (taxatiewerkwijze) en de slotpagina met de factuur, vrijwel geen tijd met zich mee. Verder bevat het taxatierapport zes pagina’s met brongegevens van de referentieobjecten die afkomstig zijn uit openbare bronnen waarvan de verwerking een zeer geringe tijdsbesteding met zich meebrengt. De overige pagina’s van het taxatierapport komen veelal geautomatiseerd tot stand. De heffingsambtenaar wijst er verder op dat het ingebrachte taxatierapport wel een bijgebouwwaarde vermeldt, maar niet aanduidt om welke bijgebouwen het gaat. Dit is een standaard werkwijze en in elk taxatierapport Woning Waarderingsmeesters het geval. Ook dit rechtvaardigt de conclusie dat de gegevens afkomstig zijn uit openbare bronnen en daardoor op zeer snelle wijze kunnen worden gegenereerd. Verder blijkt in nagenoeg alle taxatierapporten dat de woonoppervlakte, tevens de oppervlakte van de bijgebouwen bevat en er niet een uitsplitsing wordt gemaakt in de oppervlakte van de woning en de oppervlakte van de bijgebouwen. Dat is in dit geval niet anders. Ook dit draagt bij aan de conclusie dat sprake is van een geringe tijdsbesteding. De heffingsambtenaar ziet zijn standpunt bevestigd in diverse rechterlijke uitspraken. [11]
7.3.
Dat de tijdsbesteding van een taxatierapport zeer gering is, blijkt volgens de heffingsambtenaar ook uit de grote aantallen taxatierapporten die door Woning Waarderingsmeesters jaarlijks – en in met name de eerste helft van 2025 – in het gehele land zijn ingediend. Volgens de beschikbare gegevens, onder andere uit jurisprudentie, gaat het om tienduizenden taxatierapporten. Dit zijn volgens de heffingsambtenaar aantallen die alleen met een zeer geringe tijdsbesteding kunnen worden gegenereerd. Alleen een grotendeels geautomatiseerde totstandkoming met veelal gegevens uit openbare bronnen maken dit mogelijk.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
8.1.
Voor zover de heffingsambtenaar (met zijn verwijzing naar de in overweging 7.1. genoemde uitspraken) stelt dat de taxateur van belanghebbende geen deskundige is dan wel dat het door die taxateur opgestelde taxatierapport geen deskundigenbericht is, volgt de rechtbank hem daarin niet. De enkele verwijzing naar rechterlijke uitspraken in andere procedures is daarvoor onvoldoende. Daar komt nog bij dat de heffingsambtenaar zich verder wel op het standpunt blijft stellen dat een kostenvergoeding voor het taxatierapport op zijn plaats is. Dat is slechts mogelijk als sprake is van een deskundigenbericht (dat dus door een deskundige is opgesteld).
8.2.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat 2 uur aan het taxatierapport is gewerkt door de taxateur. Wat belanghebbende aanvoert over de manier waarop het taxatierapport wordt vervaardigd, past in essentie in het betoog van de heffingsambtenaar. Maar belanghebbende maakt niet inzichtelijk waarom dat tot een tijdsbesteding van 2 uur leidt, terwijl de heffingsambtenaar gemotiveerd uiteenzet waarom van een beduidend mindere tijdsinvestering sprake is. Daar komt bij dat belanghebbende niet weerspreekt dat door Woning Waardemeester jaarlijks – en in met name de eerste helft van 2025 – in het gehele land tienduizenden taxatierapporten zijn ingediend. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen dat dergelijke aantallen alleen met een grotendeels geautomatiseerde totstandkoming met veelal gegevens uit openbare bronnen kunnen worden gerealiseerd. De uitvoerige uiteenzetting van belanghebbende in het verzoekschrift over de toepasselijke regelgeving maakt dat niet anders. Bij deze uiteenzetting heeft belanghebbende namelijk telkens als uitgangspunt genomen dat 2 uur aan het taxatierapport is gewerkt door de taxateur. Dat uitgangspunt volgt de rechtbank echter niet, zoals hiervoor is toegelicht. Verder heeft de heffingsambtenaar voldoende toegelicht waarom in dit geval een tijdsinvestering van tien minuten redelijk is.
8.3.
Belanghebbende wijst ook nog op de regel dat voor de vaststelling van de uurvergoeding de tijdsinvestering moet worden afgerond op hele en halve uren. [12] Voor zover belanghebbende met deze verwijzing bepleit dat de tijdsinvestering van tien minuten moet worden afgerond op een half uur, volgt de rechtbank dat niet. De rechtbank vindt namelijk dat er sprake is van bijzondere omstandigheden [13] op grond waarvan deze afrondingsregel buiten toepassing moet blijven. Uit de Nota van Toelichting op de afrondingsregel [14] volgt dat sprake is van een algemene regeling die begin deze eeuw is getroffen (in de context van strafzaken). Bij afwezigheid van enige indicatie van het tegendeel is de rechtbank van oordeel dat de regelgever hierbij niet een situatie als in deze zaak voor ogen heeft gestaan. Namelijk dat weliswaar sprake is van het indienen van een deskundigenrapport, maar dat met name door geautomatiseerde gegevensverwerking een dergelijk taxatierapport in tien minuten wordt vervaardigd. Onverkorte toepassing van de afrondingsregel zou betekenen dat bij het bepalen van de vergoeding de daadwerkelijke tijdsinvestering (en daarmee de toe te kennen kostenvergoeding) wordt verdrievoudigd. Dat zou een zeer forse overcompensatie tot gevolg hebben. Dat gevolg kan naar het oordeel van de rechtbank door de regelgever in redelijkheid niet zijn beoogd, omdat daarmee geen sprake meer is van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten.
8.4.
Wat het uurtarief van € 53 betreft heeft de heffingsambtenaar het tarief uit de ‘Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties’ (Richtlijn) toegepast. [15] Deze richtlijn is per 29 december 2025 ingetrokken. [16]
8.4.1.
In de Mededeling waarbij de Richtlijn is ingetrokken staat onder andere het volgende: “
De gerechtshoven achten het op zichzelf nog steeds gewenst dat gerechten met betrekking tot het toekennen van een vergoeding voor taxatierapporten in WOZ-zaken uniformiteit nastreven. De ontwikkelingen in de praktijk laten echter in toenemende mate het beeld zien van een zeer groot verschil in kwaliteit van dat wat als taxatierapport wordt gepresenteerd en – in verband daarmee – de tijd die redelijkerwijs nodig was voor de taxatie en het opstellen van het taxatierapport. De wijze van totstandkoming en de inhoud van taxatierapporten laten dermate grote verschillen zien dat de belastingkamers het op dit moment niet zinnig vinden (nieuwe) algemeen geldende uitgangspunten voor de tijdsbesteding op te stellen. De taxatiekostenrichtlijn wordt dan ook ingetrokken zonder dat deze door een andere wordt vervangen.
8.4.2.
De Richtlijn was weliswaar geen ‘recht’, maar ook volgens de Hoge Raad wel een aanvaardbaar en geëigend middel om wat betreft de kostenvergoeding voor WOZ-taxaties uniformiteit na te streven. [17] Uit het hiervoor weergegeven citaat uit de Mededeling blijkt verder dat de Richtlijn niet zozeer is ingetrokken vanwege het daarin gehanteerde uurtarief van € 53, maar met name vanwege de daarin opgenomen standaardtijd van twee uren die om de in de Mededeling genoemde reden niet langer passend werd gevonden. Aangezien het nastreven van de uniformiteit wat betreft de kostenvergoeding nog steeds wenselijk wordt geacht door zowel de Hoge Raad als de belastingkamers van de gerechtshoven, ziet de rechtbank op dit moment voldoende aanleiding om het uurtarief van € 53 te blijven hanteren. In wat belanghebbende aanvoert ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om in dit geval een andere maatstaf aan te leggen.
8.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank het totaalbedrag van de vergoeding voor het taxatierapport – waarvan de overige uitgangspunten tussen partijen dus niet in geschil zijn – dan ook redelijk. [18] De rechtbank zal daarom voor het taxatierapport een vergoeding van € 10,69 toekennen zoals door de heffingsambtenaar is bepleit.
De ondertekening van processtukken van HNWB
9. In de beroepen met zaaknummers SHE 25/3629, SHE 25/3636 en SHE 25/3637 wijst de heffingsambtenaar er (in zijn conclusie van dupliek) op dat er van HNWB afkomstige stukken zijn ondertekend door mr. Van Middelaar, terwijl de heffingsambtenaar ervan op de hoogte is dat mr. Van Middelaar inmiddels al enkele maanden niet meer werkzaam is voor HNWB. De heffingsambtenaar zegt daarover vervolgens: “
Ik wijs u hierop in verband met de bevoegdheid om rechtshandelingen, zoals het opstellen van een conclusie van repliek in onderhavige zaken, te mogen verrichten.” Voor zover het klopt wat de heffingsambtenaar schrijft, vindt de rechtbank het een merkwaardige gang van zaken dat door HNWB stukken worden ingediend die zijn ondertekend door een persoon die daar niet langer werkzaam is. Tegelijkertijd zit in het dossier een machtiging waarmee belanghebbende “
de medewerkers van Eerlijke WOZ, Het Nieuwe WOZ Bureau en eventueel door hen ingeschakelde derden” machtigt om in deze zaak als gemachtigde op te treden. Ook als de stukken door een andere medewerker van HNWB zijn ingediend, dan kan dat binnen het bereik van de door belanghebbende afgegeven machtiging.
Slotsom
10. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat belanghebbende recht heeft op een totale proceskotenvergoeding van € 421,38.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 421,38 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Langenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, overweging 2.3.1.
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens 27 oktober 1993, ECLI:CE:ECHR:1993: 1027JUD001444888 (Dombo Beheer B.V. tegen Nederland), Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0919, Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259.
6.Artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang gelezen met de artikelen 6, 9, eerste lid, en 15 van het (van overeenkomstig van toepassing verklaarde) Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Besluit WTS).
7.Zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb.
8.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit WTS.
9.Rechtbank Oost-Brabant 6 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1387.
10.Rechtbank Den Haag 19 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4164, en rechtbank Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9980.
11.Gerechtshof Den Haag 12 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1226 en rechtbank Oost-Brabant 16 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2281, en 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4863.
12.Artikel 9, eerste lid, Besluit WTS.
13.Zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb.
14.Stb. 2003, 330, p. 9-10.
15.Stcrt. 2018 nr. 28796.
16.Melding intrekking van de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2025 nr. 44501.
17.Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, overwegingen 4.1.5. en 4.1.6.
18.Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, overweging 4.1.2.