De rechtbank Oost-Brabant heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak waarin veroordeelde is veroordeeld voor meerdere feiten met betrekking tot de Opiumwet. Er is een overeenkomst gesloten tussen veroordeelde en het Openbaar Ministerie over proces- en vonnisafspraken, waaronder de ontnemingsvordering.
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 189.000,00, gebaseerd op een rapport van 7 februari 2024 en de procesafspraken. Veroordeelde is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens is de maximale duur van de gijzeling bij niet-betaling vastgesteld op 1080 dagen, rekening houdend met de datum van de gepleegde feiten en jurisprudentie van de Hoge Raad.
Veroordeelde heeft afstand gedaan van diverse verweren en verklaringen en stemde vrijwillig in met de procesafspraken, waaronder een gevangenisstraf van 204 dagen (waarvan 102 voorwaardelijk) en een geldboete van € 90.000,-. De rechtbank achtte de totstandkoming van de overeenkomst rechtmatig en in overeenstemming met het recht op een eerlijk proces.
De uitspraak bevestigt de strafrechtelijke veroordeling en legt de ontnemingsmaatregel op, waarbij de rechtbank expliciet de duur van de gijzeling bepaalt conform wettelijke voorschriften en jurisprudentie. De zaak betreft medeplegen van diverse strafbare feiten onder de Opiumwet.
De rechtbank benadrukt dat bij hoger beroep de bewijsmiddelen zullen worden aangevuld, maar op dit moment de procesafspraken en vastgestelde bedragen bindend zijn.