Op 19 augustus 2024 heeft TMO van de Omgevingsdienst West-Brabant in opdracht van het college dronemetingen uitgevoerd boven het perceel en in kaart gebracht welke hoeveelheden in m³ aan materiaal ten tijde van die metingen op 20 onderscheiden locaties op het perceel aanwezig waren. Naar aanleiding van deze metingen heeft het college op 20 augustus 2024 een tekening met de opslaghoeveelheden van de verschillende opslagen in m³ ontvangen en daarvan vervolgens het soortelijk gewicht bepaald, met gebruikmaking van dezelfde methode die ten grondslag lag aan de eerdere invorderingsbeschikking van 20 juni 2022. Het rapport van bevindingen van 27 augustus 2024 vermeldt op welke van deze 20 locaties schroot lag en wat het soortelijk gewicht is van de verschillende soorten schroot. In het rapport wordt berekend dat op 19 augustus 2024 in totaal 1.487,86 ton schroot op het perceel was opgeslagen en geconcludeerd dat de toegestane opslagcapaciteit van 1.250 ton met 237,86 ton was overschreden (afwijking van 19 %). Als de soortelijke gewichten worden gehanteerd in de nieuwe aanvraag revisievergunning is de totaal opslag van bewerkt en onbewerkt schroot 4.260,91 ton. Dat is een overschrijding van 3.010,91 ton (afwijking van 240 %).
Op 8 oktober 2024 heeft het college [eiseres] medegedeeld dat nu sprake was van een overschrijding van de vergunde opslagcapaciteit, op 19 augustus 2024 van rechtswege een dwangsom is verbeurd van € 105.000,00 en dat het college voornemens is om tot dwanginvordering van dit bedrag over te gaan. Het college heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. [eiseres] heeft dat op 23 oktober 2024 gedaan. Vervolgens heeft het college op 9 januari 2025 het invorderingsbesluit genomen, onder weerleging van de zienswijzen van [eiseres]. Daarin stelt het college zich, onder verwijzing naar het rapport van bevindingen van 27 augustus 2024, op het standpunt dat op 19 augustus 2024sprake is van overschrijding van de vergunde opslagcapaciteit (van 1.250 ton) met 237,86 ton. Voor de volledigheid merkt het college op dat de overschrijding aanzienlijk hoger is indien het (in plaats van zijn eigen bepaling van het soortelijk gewicht) de soortelijke gewichten hanteert die in de aanvraag om een revisievergunning worden aangehouden. Voor het vaststellen van de overschrijding is het college echter uitgegaan van de voor [eiseres] voordeligste berekening, te weten de overschrijding van 237,86 ton.
Bijzondere omstandigheden
3. [eiseres] voert aan dat de (volledige) invordering van een dwangsom van € 105.000,00 onevenredig is. Volgens [eiseres] zijn er bijzondere omstandigheden die invordering van een fors gematigd dwangsombedrag rechtvaardigen. [eiseres] voert daartoe de volgende omstandigheden aan.
-Op 19 februari 2025 was al een legaliserende revisievergunning verleend. Ten tijde van de controle op 19 augustus 2024 was een aanvraag daarvoor in behandeling. Op 23 december 2024 is het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. In de revisievergunning is een maximale opslag van (afgerond) iets minder dan 10.000 ton aan metaalafvalstoffen vergund.
-De 1.250 ton zoals opgenomen in de aanvraag die heeft geleid tot de vergunning uit 2001 berustte op een kennelijke verschrijving. Beoogd was 12.500 ton aan te vragen. Weliswaar heeft de Afdeling onherroepelijk geoordeeld dat dit geen reden is om van handhaving af te zien, maar [eiseres] meent dat dit in het kader van de invordering niet onvermeld kan blijven. Van enig ander (milieu)belang dan brandveiligheid dat strikte handhaving rechtvaardigt is geen sprake.
-In een eerder geldende vergunning was een maximale opslagcapaciteit van 5.000 ton schroot zonder voorgeschreven compartimentering, opgenomen.
-Het college had al eerder een volledige dwangsom ingevorderd, naar aanleiding van de overtreding op 3 januari 2022.
-[eiseres] ontplooit inmiddels geen activiteiten meer, omdat het bedrijf is verkocht.
-Op 19 augustus 2024 waren de compartimenten voor een brandveilige opslag van schroot opgericht en functioneel. Schroot werd gecompartimenteerd opgeslagen. Ten tijde van de last en de eerste verbeurte van de dwangsom (op 3 januari 2022) waren de compartimenten nog niet opgericht. [eiseres] heeft een 24/7-brandwacht ingesteld, zodat direct adequaat kan worden ingegrepen. De controle van inkomende partijen metaalafvalstoffen op de aanwezigheid van batterijen en accu’s en het aanspreken van leveranciers is verbeterd. Leveranciers die toch afvalstoffen aanbieden waarin batterijen en accu’s blijken te zitten worden contractueel beboet. Inkomend schroot wordt zo snel mogelijk verwerkt zodat de opslagduur zo beperkt als mogelijk is.
-De aard en omvang van het verwerkingsproces en de afhankelijkheid van de logistiek (beschikbaarheid van vrachtwagens en schepen) waren bepalende factoren waarop [eiseres] niet altijd invloed heeft gehad.
-19 augustus 2024 was in zoverre een incident, waarbij de opslag grotendeels een gereed product betrof (compartiment G zoals genoemd in de aanvraag revisievergunning), dat naar zijn aard niet brandgevaarlijk is.
-In reactie op de redenen waarom het college van mening is dat geen sprake is van onevenredigheid, wijst [eiseres] erop dat de situatie ten opzichte van 2021 enorm is veranderd. [eiseres] is alerter op mogelijke branden en er zijn diverse maatrelen getroffen. De brand in maart 2025 bij een metaalverwerkingsbedrijf in Helmond waarnaar het college heeft verwezen, betreft een ander bedrijf op een andere locatie, waar zich broeibrandjes hebben voorgedaan in shredderresidu. Ten aanzien van de brandcompartimentering is geenszins sprake geweest van een gevaarlijke (brand)situatie. Die heeft te gelden als adequate voorziening en maatregel, mede gezien de beperkte overschrijding van de maximale opslag van 1.250 ton, waar een veelvoud aan opslag inmiddels is vergund. Dat de compartimentering later pas is gelegaliseerd doet niet ter zake nu deze op 19 augustus 2024 opgericht en functioneel was. De gestelde afwijking in maatvoering heeft geen afbreuk gedaan aan de effectiviteit van de voorziening.
Dat op 19 augustus 2024 formeel nog geen concreet zicht op legalisatie bestond doet daarom niet af aan de onevenredigheid van het invorderingsbesluit. Volgens [eiseres] heeft de dwangsom feitelijk een punitief karakter gekregen. Hiervoor is het instrumentarium van de herstelmaatregel niet bedoeld. [eiseres] vindt steun voor haar standpunt in vaste rechtspraak.Al in de bezwaarfase is gewezen op de conclusie van 4 april 2018 van advocaat-generaal Watteldie daarin uitgebreid ingaat op verschillende omstandigheden die als bijzondere omstandigheden gekwalificeerd kunnen worden.