ECLI:NL:RBOBR:2026:1664

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
25/1757
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 64 ParticipatiewetArt. 30c Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstand wegens niet bewonen uitkeringsadres

Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg een woning toegewezen als uitkeringsadres. Na een signaal van de woningcorporatie over het niet bewonen van deze woning, stelde het college een onderzoek in. Op basis van een verklaring op ambtseed en een rapport concludeerde het college dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023.

Het college herzag het recht op bijstand en paste de kostendelersnorm toe, waardoor een bedrag van €6.286,46 werd teruggevorderd. Eiser maakte bezwaar en stelde dat het verhoor onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van een tolk en de omstandigheden van het verhoor. Ook betwistte hij dat het zwaartepunt van zijn leven niet op het uitkeringsadres lag.

De rechtbank oordeelde dat het verhoor zorgvuldig was verlopen, dat de verklaring op ambtseed betrouwbaar is en dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Het lage gas-, water- en lichtverbruik bevestigde dit. De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het college terecht het recht op bijstand herzag en het bedrag terugvorderde.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het college mag de bijstand herzien en het bedrag terugvorderen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Yigitdol),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigde: mr. P. Haex).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van het recht op bijstand van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het recht op bijstand mocht herzien en of hij een bedrag van € 6.286,46 bruto mocht terugvorderen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht het recht op bijstand van eiser heeft herzien en dat hij terecht het genoemde bedrag aan ten onrechte ontvangen bijstand heeft teruggevorderd.

Feiten, omstandigheden en procesverloop

2. Eiser ontving een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm voor een alleenstaande sinds 10 december 2021. Op de uitkering werd een verlaging toegepast van 15% vanwege het ontbreken van woonkosten. Op 6 februari 2023 heeft eiser een woning toegewezen gekregen aan de [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Daarom is bij besluit van 15 februari 2023 de bijstandsuitkering per 6 februari 2023 omgezet naar de norm voor een alleenstaande, zonder verlaging. Naar aanleiding van een signaal van 8 oktober 2024 van woningcorporatie Woonbedrijf (Woonbedrijf) over het beëindigen van de huurovereenkomst met eiser in het verband met het niet bewonen van de aan hem toegewezen huurwoning, heeft het college nader onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 januari 2025.
2.1.
Bij besluit van 24 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college het toekenningsbesluit van 15 februari 2023 herzien over de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023 van de norm voor een alleenstaande naar de kostendelersnorm met drie kostendelers. De als gevolg van deze herziening te veel verstrekte bijstand heeft het college teruggevorderd tot een bedrag van € 6.286,46 bruto.
2.2.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
Bij besluit van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar met een aangepaste motivering ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] (1102) als tolk en de gemachtigde van het college.

Het bestreden besluit

3. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een schending van de inlichtingenplicht, omdat eiser niet onverwijld uit eigen beweging heeft gemeld dat hij in de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023 niet op het uitkeringsadres woonde. De aanleiding voor het onderzoek is gelegen in het signaal van het Woonbedrijf inhoudende dat zij (opnieuw) bezig waren met het beëindigen van de huurovereenkomst met eiser. Het college stelt zich op het standpunt dat het voor het recht op bijstand van eiser van belang was om onderzoek te doen naar de daadwerkelijke woonsituatie van eiser. Anders dan eiser betoogt, stelt het college zich verder op het standpunt dat het onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Wat betreft het verhoor van 7 november 2024 geldt immers als uitgangspunt dat er voldoende waarborgen zijn dat een verklaring correct is weergegeven als een verklaring op ambtseed of ambtsbelofte door een opsporingsambtenaar is opgemaakt, voorgelezen en ondertekend. Daarvan is in dit geval sprake. Het college heeft in aanvulling hierop nadere informatie bij de medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek (Toezicht en Naleving) die het verhoor hebben gehouden, opgevraagd. Gelet op de antwoorden van deze medewerkers ziet het college nog steeds geen aanleiding om te twijfelen aan wat is opgenomen in de schriftelijke verklaring van eiser van 27 november 2024 en het rapport van 24 januari 2025. De resultaten uit het onderzoek kunnen volgens het college dan ook ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij in de periode van 6 februari 2023 tot november 2023 niet in de aan hem toegewezen huurwoning woonde. Hij heeft daarvoor meerdere redenen gegeven, zo zou de woning nog niet bewoonbaar zijn geweest en was hij om zijn moverende redenen bij zijn (klein)kinderen. Nu ook het verbruik van gas/water en licht aansluit op deze verklaringen, betoogt het college dat terecht is vastgesteld dat eiser in de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het toepassen van de kostendelersnorm op goede gronden is gebeurd. Ondanks dat eiser niet op het uitkeringsadres verbleef, kan namelijk wel worden vastgesteld dat hij in [woonplaats] verbleef. Eiser heeft verklaard dat hij feitelijk bij zijn stiefdochter verbleef. Daarom kan worden aangenomen dat daadwerkelijk sprake is geweest van het kunnen delen van de kosten
.Het bedrag dat is teruggevorderd is het verschil tussen de verstrekte norm voor een alleenstaande en een alleenstaande naar de kostendelersnorm voor drie personen over de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023. Het is het college niet gebleken dat dit bedrag op onjuiste wijze tot stand is gekomen.

Wat vindt eiser?

3.1
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Het college is er volgens eiser niet in geslaagd om aan te tonen dat het zwaartepunt van eisers leven in de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023 niet op het uitkeringsadres was. Eiser verbleef in deze periode hoofdzakelijk op het uitkeringsadres. Daarnaast verbleef hij afwisselend bij zijn zoon en dochter, omdat de woning van eiser nog volledig bewoonbaar gemaakt moest worden. Het lage water- en energieverbruik in die periode wordt daarmee verklaard. Dit blijkt ook uit de bevindingen van het college. Ook blijkt uit paragraaf 4.3 van het rapport van 24 januari 2025 dat de rapporteurs hebben aangegeven dat zij niet konden vaststellen waar het hoofdverblijf van eiser is geweest in de te beoordelen periode. Omdat er in het kader van de Pw substantiële gevolgen kunnen worden verbonden aan het niet hebben van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres en de aard en het onderzoek van het college verschilt van die van het Woonbedrijf, kunnen de verklaringen van eiser aan het Woonbedrijf niet zonder meer worden overgenomen in deze procedure. Omdat dit wel is gebeurd, is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Eiser stelt verder dat het college ten onrechte geen tolk heeft geregeld voor de gesprekken en verhoren die hebben plaatsgevonden. Eiser is de Nederlandse taal niet goed machtig en het ontbreken van een tolk heeft daarom tot een onjuiste, onvolledige en onbetrouwbare verklaring geleid. Eiser heeft voorafgaand aan het verhoor van 27 november 2024 gevraagd om een tolk, maar de rapporteurs hebben aangegeven dat ze dit niet nodig achtten. Uit vaste rechtspraak blijkt dat de afwezigheid van een tolk tijdens het verhoor noopt tot de conclusie dat geen bewijskracht toekomt aan de verklaringen tijdens het verhoor. Bovendien heeft het verhoor onder onredelijke en voor eiser zware omstandigheden plaatsgevonden. Het verhoor duurde maar liefst drie uur. Eiser heeft meerdere malen verzocht om een pauze en dit werd niet getolereerd. Eiser heeft (aan het einde van het verhoor pas) met moeite een glas water gekregen. Verder betwist eiser dat hij aan het einde van het verhoor heeft aangegeven dat hij vindt dat hij hartstikke goed behandeld is. Ook staat er ten onrechte dat eiser de verklaring heeft doorgelezen. Eiser voelde zich onder druk gezet om zijn handtekening onder de verklaring te zetten. Aan zijn verklaring mag daarom geen enkel gewicht worden toegekend. Eiser verzoekt aan het college om een uitwerking van het verhoor over te leggen met geluidsopname. Mocht dit niet aanwezig zijn, moeten de gevolgen daarvoor voor rekening van het college komen vanwege een schending van het beginsel van equality of arms.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt hierna of de beroepsgronden van eiser slagen. De rechtbank verwijst voor de van toepassing zijnde wetgeving naar de bijlage bij deze uitspraak. De door de rechtbank te beoordelen periode loopt van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023.
Heeft het verhoor zorgvuldig plaatsgevonden?
4.1
De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat het verhoor onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Volgens vaste rechtspraak [1] zijn er voldoende waarborgen dat de verklaring een juiste zakelijke weergave is van de verklaring die eiser heeft afgelegd als deze op ambtseed door een tot opsporing bevoegde sociaal rechercheur is opgemaakt en bovendien is voorgelezen en is ondertekend. Daarvan is in dit geval ook sprake, zodat het college in principe kan uitgaan van de juistheid van de inhoud van de verklaring van 27 november 2024. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat uit deze verklaring niet blijkt dat eiser de vragen van de sociaal rechercheurs niet begrijpt of dat het hem niet lukt om de vragen in de Nederlandse taal te beantwoorden. Eiser heeft tijdens het gehoor één keer aangegeven ‘door de taal begrijpen wij elkaar niet’, maar uit het proces-verbaal blijkt dat de sociaal rechercheurs het nog een keer voor eiser hebben uitgelegd en dat eiser toen heeft aangegeven dat hij het nu wel begrijpt en dat de sociaal rechercheurs hem goed helpen. [2] De verklaring biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake was van verdere taal- en/of communicatieproblemen tussen eiser en de toezichthouders. Integendeel, uit de verklaring volgt dat eiser aangeeft dat de toezichthouders een eerder gegeven antwoord niet goed hebben begrepen [3] , specifieke antwoorden geeft op open vragen [4] en gedetailleerde [5] en genuanceerde [6] antwoorden geeft. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat het verhoor onder onredelijke omstandigheden heeft plaatsgevonden. Eiser heeft zelf verklaard dat hij in staat was een gesprek met de sociaal rechercheurs te voeren. Eiser heeft aangegeven – nadat hij de verklaring heeft doorgelezen en de gelegenheid heeft gekregen aanpassingen te doen – dat deze verklaring juist en volledig is. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser onder druk is gezet om zijn handtekening onder de verklaring te zetten. Verder merkt de rechtbank op dat eiser aan het einde van het verhoor op de vraag ‘hoe vindt u dat u behandeld bent?’ heeft geantwoord: ‘Harstikke goed, jullie waren heel aardig voor mij en u heeft mij extra dingen uitgelegd. Dat vond ik heel fijn.’ De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de sociaal rechercheurs, die het proces-verbaal hebben opgesteld, dit ten onrechte vermeld hebben, nu eiser de verklaring heeft ondertekend. Dat eiser hier nu op terugkomt, volgt de rechtbank niet. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond om de verklaringen uit het proces-verbaal buiten beschouwing te laten. Dat van het verhoor geen bandopname is gemaakt leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu er geen wettelijke grondslag is waaruit volgt dat een dergelijk verhoor auditief opgenomen moet worden.
Was het zwaartepunt van eisers leven in te beoordelen periode op het uitkeringsadres?
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat herziening van het recht op bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. [7] Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiser gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres.
4.2.1
Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [8] De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
4.2.2
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. In het verhoor van 27 november 2024 heeft eiser meermaals verklaard dat hij in de periode van februari 2023 tot en met november 2024 niet in de aan hem toegewezen huurwoning heeft gewoond, maar dat hij er slechts af en toe was. Eiser geeft in het verhoor aan dat hij voordat hij in november 2023 definitief in de aan hem toegewezen huurwoning ging wonen bij zijn stiefdochter verbleef. Het college mocht van die verklaringen uitgaan. Ook heeft het college terecht in het bestreden besluit betrokken dat het gas-, water- en lichtgebruik van eiser aansluit op deze verklaringen. Er is namelijk in een periode van 13 maanden (februari 2023 tot en met februari 2024) een verbruik geconstateerd dat aansluit bij twee maanden bewoning. Uit het voorgaande blijkt dat het zwaartepunt van eisers leven niet op het uitkeringsadres was. De stelling van eiser dat het lage verbruik komt doordat hij in deze periode nog geen wasmachine en vaatwasser had en omdat hij veel bij zijn zoon en stiefdochter verbleef, is onvoldoende om het lage waterverbruik te verklaren. Met betrekking tot de stelling van eiser dat het college de verklaringen van eiser aan het Woonbedrijf niet mag betrekken bij de onderhavige procedure, merkt de rechtbank op dat het Woonbedrijf verplicht is aan het college desgevraagd opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Pw. [9] Het college heeft deze verstrekte informatie bij de beoordeling kunnen betrekken, omdat die informatie van belang is voor het recht op bijstand en niet op onrechtmatige wijze is verkregen. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn standpunt. Over het standpunt van eiser dat de rapporteurs in paragraaf 4.3 van het rapport hebben aangegeven dat zij niet konden vaststellen waar het hoofdverblijf van eiser is geweest in de te beoordelen periode, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit deze paragraaf volgt dat met het onderzoek niet is aangetoond waar (in Eindhoven) eiser in de te beoordelen periode wel heeft verbleven, maar dat het in ieder geval niet op het uitkeringsadres was. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt ook uit de onderzoeksbevindingen dat het zwaartepunt van eisers leven in de te beoordelen periode niet op eisers uitkeringsadres was. Dit is ook het standpunt van het college dat aan de herziening van de bijstand ten grondslag is gelegd. De conclusie in deze paragraaf is hiermee in overeenstemming. Dit betoog van eiser leidt dus niet tot een ander resultaat.
Heeft het college de bijstand terecht herzien en teruggevorderd?
4.3
Eiser heeft het college niet meegedeeld dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Dit had wel gemoeten. De rechtbank concludeert daarom dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en als gevolg daarvan te veel bijstand is verstrekt. Het college was daarom gehouden de bijstand over de te beoordelen periode te herzien. Tegen de terugvordering heeft eiser geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen afzonderlijke bespreking behoeft.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Voetnoten

1.Zie CRvB 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.
2.Verhoor 27 november 2024, pagina 11.
3.Verhoor 27 november 2024, pagina 4-5.
4.Bijvoorbeeld verhoor 27 november 2024, pagina 9-10.
5.Bijvoorbeeld verhoor 27 november 2024, pagina 11 (bovenaan).
6.Bijvoorbeeld verhoor 27 november 2024, pagina 10 (onderaan).
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:327.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038, en van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3110.
9.Artikel 64, eerste lid, onder l.