Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg een woning toegewezen als uitkeringsadres. Na een signaal van de woningcorporatie over het niet bewonen van deze woning, stelde het college een onderzoek in. Op basis van een verklaring op ambtseed en een rapport concludeerde het college dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023.
Het college herzag het recht op bijstand en paste de kostendelersnorm toe, waardoor een bedrag van €6.286,46 werd teruggevorderd. Eiser maakte bezwaar en stelde dat het verhoor onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van een tolk en de omstandigheden van het verhoor. Ook betwistte hij dat het zwaartepunt van zijn leven niet op het uitkeringsadres lag.
De rechtbank oordeelde dat het verhoor zorgvuldig was verlopen, dat de verklaring op ambtseed betrouwbaar is en dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Het lage gas-, water- en lichtverbruik bevestigde dit. De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het college terecht het recht op bijstand herzag en het bedrag terugvorderde.