ECLI:NL:RBOBR:2026:1407
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld periodiek inkomen
Eiser ontving bijstand vanaf september 2024 en verbleef tussen 22 december 2024 en 21 januari 2025 in het buitenland. Het college ontdekte via bankafschriften dat eiser in de periode van november 2024 tot en met januari 2025 bijschrijvingen van derden ontving, die eiser niet had gemeld. Het college trok de bijstand in en vorderde een bedrag van €1.617,28 terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit, stellende dat de bijschrijvingen geen inkomen waren omdat het om leningen ging en dat het verblijf in het buitenland tot uitsluiting van bijstand zou moeten leiden. De rechtbank oordeelde dat het verblijf in het buitenland niet rechtsgevolg had omdat het college het recht op bijstand niet op die grond had ingetrokken. De bijschrijvingen hadden een periodiek karakter en waren aan te merken als inkomen volgens vaste rechtspraak.
De rechtbank stelde vast dat het college voldoende had gemotiveerd dat de bijschrijvingen als inkomen moesten worden beschouwd en dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Omdat eiser de bijschrijvingen niet had gemeld, was sprake van een schending van de inlichtingenplicht en was intrekking en terugvordering terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde periodieke bijschrijvingen is ongegrond verklaard.