ECLI:NL:RBOBR:2026:1407

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
25/2067
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 2 sub e ParticipatiewetArt. 17 lid 1 ParticipatiewetArt. 31 lid 1 ParticipatiewetArt. 32 lid 1 ParticipatiewetArt. 54 lid 3 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld periodiek inkomen

Eiser ontving bijstand vanaf september 2024 en verbleef tussen 22 december 2024 en 21 januari 2025 in het buitenland. Het college ontdekte via bankafschriften dat eiser in de periode van november 2024 tot en met januari 2025 bijschrijvingen van derden ontving, die eiser niet had gemeld. Het college trok de bijstand in en vorderde een bedrag van €1.617,28 terug wegens schending van de inlichtingenplicht.

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit, stellende dat de bijschrijvingen geen inkomen waren omdat het om leningen ging en dat het verblijf in het buitenland tot uitsluiting van bijstand zou moeten leiden. De rechtbank oordeelde dat het verblijf in het buitenland niet rechtsgevolg had omdat het college het recht op bijstand niet op die grond had ingetrokken. De bijschrijvingen hadden een periodiek karakter en waren aan te merken als inkomen volgens vaste rechtspraak.

De rechtbank stelde vast dat het college voldoende had gemotiveerd dat de bijschrijvingen als inkomen moesten worden beschouwd en dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Omdat eiser de bijschrijvingen niet had gemeld, was sprake van een schending van de inlichtingenplicht en was intrekking en terugvordering terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde periodieke bijschrijvingen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, het college

(gemachtigde: L. Altena).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering van de te veel ontvangen bijstand over de periode 1 november 2024 tot en met 31 januari 2025. Eiser is het hier niet mee eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten, omstandigheden en procesverloop

2. Eiser ontving een bijstandsuitkering vanaf 2 september 2024. Naar aanleiding van het wijzigingsformulier dat eiser heeft ingediend met betrekking tot zijn verblijf in het buitenland tussen 22 december 2024 en 21 januari 2025, heeft het college aan eiser gevraagd om dit met bewijsstukken te verifiëren. Op 29 januari 2025 heeft eiser bankafschriften ingeleverd over de periode dat hij in het buitenland is geweest. Hieruit blijkt dat eiser ook een Belgische bankrekening heeft. Vervolgens heeft het college van die rekening over de gehele bijstandsperiode afschriften opgevraagd. Hieruit blijkt dat bijschrijvingen van derden op deze rekening zijn gedaan.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 10 februari 2025 (het primaire besluit) het recht op bijstand van eiser ingetrokken over de periode 1 november 2024 tot en met 31 januari 2025 en van hem een bedrag van € 1.617,28 bruto aan ten onrechte ontvangen bijstand teruggevorderd. Het college stelt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij niet heeft gemeld dat hij in de periode van 1 november 2024 en 31 januari 2025 bijschrijvingen van derden heeft ontvangen.
2.2.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
Het college heeft met het besluit van 8 juli 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Het bestreden besluit

3. Het college stelt zich in het besteden besluit op het standpunt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij niet heeft gemeld dat hij in de periode van 1 november 2024 tot en met 31 januari 2025 bijschrijvingen van derden heeft ontvangen. Volgens vaste rechtspraak worden stortingen en bijschrijvingen door derden op een bankrekening van een bijstandsgerechtigde, in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (Pw). [1] Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door eiser kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en gaan over een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. Eiser heeft aangegeven dat de bijschrijvingen van zijn dochter zijn. Hij heeft deze bijschrijvingen ontvangen als lening om te kunnen voorzien in de kosten van levensonderhoud. Het college stelt dat uit vaste rechtspraak blijkt dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Daarom is sprake van inkomen dat door eiser gemeld had moeten worden. Door dit inkomen niet te melden, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. Het college stelt zich dan ook op het standpunt dat het recht op bijstand van eiser terecht is ingetrokken over de periode 1 november 2024 tot en met 31 januari 2025 en dat er terecht een bedrag van € 1.617,28 bruto aan ten onrechte ontvangen bijstand is teruggevorderd. Er is verder ook geen sprake van dringende redenen om van de terugvordering af te zien. [2]

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
Is sprake van inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw?
4.1.
Eiser betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bijschrijving kwalificeren als inkomen. Eiser is namelijk van 22 december 2024 tot 21 januari 2025 in het buitenland geweest. En, als gevolg van dit verblijf in het buitenland is eiser op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw uitgesloten van het recht op bijstand. Het college heeft daarom ten onrechte de bijschrijving in deze periode bij de beoordeling betrokken. De overige bijschrijving zijn onvoldoende om van een periodiek karakter te spreken. Als gevolg hiervan is volgens eiser geen sprake van bijschrijvingen met een periodiek karakter. Dit betekent dat geen sprake is van inkomen. Het college heeft dit onvoldoende gemotiveerd. Eiser verwijst voor dit betoog naar twee uitspraken van de CRvB. [3] Daarnaast betoogt eiser dat het college ten onrechte de stelling van eiser dat sprake is van een lening, niet heeft beoordeeld.
4.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat het verblijf in het buitenland niet van belang is, omdat het recht op bijstand van eiser niet is ingetrokken op die grond. Bovendien is eiser maximaal twee dagen te lang in het buitenland verbleven. Dit betekent dat eiser maximaal twee dagen zou zijn uitgesloten van het recht op bijstand. Eisers betoog is eerst tijdens de zitting aangevoerd. Daardoor kan het college tijdens de zitting hierop niet adequaat reageren. Indien de rechtbank tot de conclusie zou komen dat dit betoog slaagt, verzoekt het college om in de gelegenheid te worden gesteld een nader standpunt in te nemen naar aanleiding van dit betoog.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat een besluit tot intrekking of terugvordering een voor de betrokkene belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. [4]
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de te beoordelen periode bijschrijvingen van een derde hebben plaatsgevonden op de bankrekening van eiser. Eiser bestrijdt ook niet dat hij van deze bijschrijvingen geen melding heeft gemaakt bij het college. In geschil is of de bijschrijvingen terecht als inkomen zijn aangemerkt.
4.5.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak. [5]
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van inkomen, nu de bijschrijvingen een periodiek karakter hebben, kunnen worden aangewend voor de algemene noodzakelijke bestaanskosten en gaan over een periode waarover een beroep op bijstand is gedaan. De rechtbank volgt het betoog van eiser dan ook niet. Hiervoor is alleen al van belang dat het rechtsgevolg van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw niet van rechtswege intreedt. Het college moet daartoe een besluit nemen. En, het college heeft het recht op bijstand niet ingetrokken over de periode van 22 december 2024 tot en met 21 januari 2025 op de grond dat eiser te lang in het buitenland heeft verbleven. Gezien deze omstandigheden bestaat er alleen al hierom geen feitelijke grondslag voor het betoog van eiser. Het betoog van eiser slaagt niet.
4.7.
Het college stelt zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat de stelling van eiser dat sprake is van een lening, niet betekent dat eiser de bijschrijvingen niet had moeten melden. Het college verwijst terecht naar vaste rechtspraak waaruit blijkt dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. [6] Het college stelt ook terecht dat er daarom sprake is van inkomen dat door eiser gemeld had moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het college hierdoor aan zijn motiveringsplicht.
5.3.
Gezien het voorgaande heeft het college de bijschrijvingen van derden terecht en deugdelijk gemotiveerd aangemerkt als inkomen in de zin van de Pw. De beroepsgrond slaagt niet.
4.8.
Nu eiser geen melding heeft gemaakt van de bijschrijvingen van derden, heeft hij niet voldaan aan de inlichtingenplicht en is ten onrechte bijstand aan hem verstrekt in de te beoordelen periode. [7] Het college was daarom verplicht om de bijstandsuitkering van eiser in de te beoordelen periode in te trekken en terug te vorderen. [8]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wettelijk kader

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Voetnoten

1.Het college verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:828.
2.Als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw.
3.CRvB 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2023, r.o 4.4 en 4.5 en CRvB 15 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3316, r.o 4.2 t/m 4.5.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:799, r.o 4.2.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:799, r.o 4.4.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3392, r.o 5.5.1.
7.Zie artikel 17, eerste lid, van de Pw.
8.Zie de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, van de Pw.