Uitspraak
1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,
1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,
1.De procedure
- aanvullende producties 24 en 25
- de pleitnota van [eisers]
2.De feiten
Koper verkrijgt dan het onverdeeld aandeel in het mandelige binnenterrein dat grenst aan alle bouwterreinen, plaatselijk bekend [gemeente] , [kadastrale aanduiding] (nog nader kadastraal te splitsen in te meten.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot nakoming van de verplichting tot levering van (onverdeelde aandelen in) het binnenterrein uit hoofde van de met [families] gesloten aanvullende Koopovereenkomsten, zoals hiervoor in rov. 3.5.5. overwogen:
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot nakoming binnen 14 dagen na betekening van dit arrest van de verplichting tot levering van (onverdeelde aandelen in) het binnenterrein uit hoofde van de met [families] gesloten aanvullende koopovereenkomsten, zoals hiervoor in roy. 3.5.5. overwogen,
3.Het geschil
- i) dat [eisers] op grond van artikel 611d Rv een procedure aanhangig maken bij het hof ‘s-Hertogenbosch en
- ii) dat [eisers] een bankgarantie stellen tot een bedrag van € 70.000,00,
4.De beoordeling
per dag,zodat door de betekening van de oorspronkelijke grosse aan de beschermingsstrekking van artikel 611a lid 3 Rv is voldaan.
binnen 14 dagen na betekeningaan de veroordeling dienden te voldoen. Het hof heeft daarbij in het midden gelaten of sprake was van herstel van een kennelijke fout dan wel een aanvulling op grond van artikel 32 Rv Pro. In artikel 32, lid 2 Rv, is artikel 31, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing verklaard. Anders dan in het arrest van het hof Arnhem kan in dit kort geding echter niet worden aangenomen dat [eisers] al door betekening van het oorspronkelijke arrest heeft moeten begrijpen dat zij binnen veertien dagen na betekening aan de veroordeling dienden te voldoen. De termijn waarbinnen [eisers] aan de veroordeling dienden te voldoen is immers pas duidelijk geworden met het herstelarrest van 18 februari 2025. Dit betekent dat in casu - en anders dan in het arrest van het hof Arnhem - geen sprake was van een kennelijke fout die voor de geëxecuteerde door de betekening van de grosse van het oorspronkelijke vonnis duidelijk kenbaar was. In deze zaak kan dus niet zonder meer worden aangenomen dat door betekening van het oorspronkelijke arrest op 12 februari 2025, aan de beschermingsstrekking van artikel 611a, lid 3 Rv is voldaan. Daarmee bestaat in dit geval onvoldoende grond voor het oordeel dat de executie van het met een dwangsom gesanctioneerde veroordeling reeds vanaf de betekening van de oorspronkelijke uitspraak kan plaatsvinden volgens het (bij arrest van 18 februari 2025) verbeterde dictum.