Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1088

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/01/408299 / HA ZA 24-581
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurders niet aansprakelijk voor huurachterstand na turboliquidatie B.V.

Eiser verhuurde een bedrijfspand aan [A] B.V., die in 2024 door turboliquidatie werd ontbonden. Eiser vordert persoonlijke aansprakelijkheid van de voormalige bestuurders voor een huurachterstand van € 237.294,29, stellende dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en selectieve betaling.

De rechtbank stelt vast dat de exacte hoogte van de huurachterstand niet is onderbouwd, maar dat een substantiële vordering van ten minste € 91.350,- bestaat. De bestuurdersaansprakelijkheid wordt getoetst aan de maatstaf van ernstig persoonlijk verwijt, waarbij eiser onvoldoende feiten heeft gesteld die dit aannemelijk maken.

De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van willens en wetens bewerkstelligde niet-betaling of verhaalsfrustratie. Ook het niet betrekken van eiser bij de turboliquidatie leidt niet tot onrechtmatigheid jegens eiser. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en oordeelt dat de bestuurders niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de huurachterstand.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/408299 / HA ZA 24-581
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.H.R.B. Wahlbrinck,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] , gemeente [naam gemeente]
3.
[gedaagde sub 3],
wonend op een geheim adres,
gedaagden,
hierna samen te noemen: gedaagden,
advocaat: mr. J. Meerman.

1.De kern van de zaak

1.1.
[eiser] verhuurde een pand aan [A] B.V. (hierna: [A] ). In 2024 is [A] door middel van een turboliquidatie ontbonden. Gedaagden waren (middellijk) bestuurders van [A] .
1.2.
Deze zaak gaat over de vraag of gedaagden als (voormalige) (middellijk) bestuurders aansprakelijk zijn voor een huurachterstand van [A] . De huurachterstand is door [eiser] begroot op € 237.294,29.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden niet aansprakelijk zijn. Hieronder licht zij haar oordeel toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties
- de conclusie van antwoord, zonder producties
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] verhuurde vanaf 1997 samen met Bouwmeester B.V. een bedrijfspand gelegen aan het [adres] in [plaats] , aan [A] .
3.2.
[A] exploiteerde in het pand een pool- en snookercentrum.
3.3.
[A] werd (middellijk) bestuurd door de heer [gedaagde sub 3] (hierna: [gedaagde sub 3] ), middels [gedaagde sub 2] B.V. en [gedaagde sub 1] B.V.
3.4.
[gedaagde sub 3] is in 2015 een ernstig ongeval overkomen, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. De exploitatie is voortgezet door zijn partner, mevrouw C. [B] , en haar dochter.
3.5.
De huurovereenkomst met [eiser] (en Bouwmeester B.V.) is geëindigd in juni 2021 met de verkoop van het bedrijfspand aan [C] B.V., die de nieuwe verhuurder van [A] werd. Aan [eiser] en Bouwmeester B.V. waren toen nog huurpenningen verschuldigd.
3.6.
Op 7 juli 2022 heeft Bouwmeester B.V. zijn deel van de huurvordering aan [eiser] overgedragen.
3.7.
De exploitatie van het pool- en snookercentrum is in april 2023 geëindigd. Er was een huurschuld aan [C] B.V., die toen deels is kwijtgescholden en deels is voldaan met de waarborgsom en met het achterlaten van de inventaris (biljart- en snookertafels en overige inventaris).
3.8.
Bij brief van 22 januari 2024 heeft [eiser] [A] gesommeerd tot betaling van een bedrag aan huurachterstand van € 237.294,29.
3.9.
In februari 2024 heeft het bestuur van [A] de vennootschap ontbonden middels een zogenaamde turboliquidatie, stellende dat er geen bekende baten meer waren.
3.10.
[eiser] is daarop deze procedure begonnen tegen de (voormalige) (middellijke) bestuurders van [A] .

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - voor recht te verklaren dat gedaagden als (voormalige) (middellijke) bestuurders van [A] persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [eiser] op grond van onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid) en gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 237.294,29.
4.2.
[eiser] legt hieraan kort gezegd ten grondslag dat het bestuur de turboliquidatie niet correct heeft uitgevoerd, omdat zij [eiser] daarbij niet heeft betrokken en geen rekening heeft gehouden met zijn vordering. Ook stelt [eiser] dat voordien al sprake is van betalingsonwil en selectieve betaling, omdat het bestuur is voortgegaan met de exploitatie en daarbij welbewust gedurende een lange periode [eiser] als enige crediteur niet heeft betaald. [eiser] legt de peildatum in december 2021. Er is sprake van onbehoorlijk bestuur waarvan gedaagden persoonlijk een ernstig verwijt is te maken. De schade stelt [eiser] op het (door hem gestelde) bedrag van de huurachterstand, omdat gedaagden door eerder te handelen ervoor hadden kunnen zorgen dat de huurvordering wel betaald zou zijn.
4.3.
Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten de hoogte van de vordering en stellen dat deze (deels) is verjaard. Zij wijzen het verwijt van bestuurdersaansprakelijkheid van de hand.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.2.
Het staat vast dat [eiser] een huurvordering heeft op [A] . Dat is gesteld en niet betwist.
5.3.
Partijen zijn het niet eens over de precieze hoogte van de huurachterstand. Volgens [eiser] bedraagt de huurachterstand € 237.294,29, maar dat bedrag is betwist en is niet onderbouwd. Een specificatie ontbreekt. Er is alleen een overzicht overgelegd van november 2019 waaruit een huurachterstand van € 152.220,01 zou blijken vanaf eind 2017 (productie 6 dagvaarding). Gedaagden hebben ter zitting gesteld dat de huur over die periode wel degelijk, maar mogelijk niet geheel, is betaald. Wel hebben gedaagden erkend dat over de periode vanaf de start van corona (circa 15 maart 2020) tot het einde van de huurovereenkomst met [eiser] (in juni 2021) de huur onbetaald is gelaten, omdat de exploitatie toen volledig stil lag. Aangezien de maandelijkse huur circa € 6.300,- bedroeg, houdt dit tenminste een huurachterstand in van circa € 91.350,- (=14,5 maanden x € 6.300). Ook uit de stukken die bij de kamer van koophandel zijn gedeponeerd vanwege de turboliquidatie blijkt dat er een huurvordering was (waarvan de hoogte door gedaagden werd betwist).
5.4.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de precieze hoogte van de huurvordering van [eiser] op [A] niet vaststaat, maar dat wel voldoende vaststaat dat [eiser] een substantiële huurvordering heeft op [A] , van tenminste € 91.350,-.
5.5.
De vervolgvraag is of gedaagden als (voormalige) (middellijk) bestuurders aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] die voortvloeit uit de niet-betaling van deze huurschuld door [A] .
5.6.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
5.7.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap (in dit geval [A] ) aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling
persoonlijkeen
ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval [1] .
5.8.
Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder, leidend tot externe bestuurdersaansprakelijkheid, kan onder meer sprake zijn indien de bestuurder willens en wetens heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (selectieve betaling / verhaalsfrustratie, beschreven in het arrest Ontvanger/Roelofsen [2] ). Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
5.9.
Het is aan [eiser] feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat sprake is van een dergelijke situatie, omdat hij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan (namelijk aansprakelijkheid). [eiser] heeft, met andere woorden, de stelplicht en de bewijslast.
5.10.
In het licht van de hiervoor beschreven maatstaf is de rechtbank van oordeel dat gedaagden niet aansprakelijk zijn, op grond van het volgende.
5.11.
[eiser] baseert zijn vordering naar de rechtbank begrijpt op, kort gezegd, selectieve betaling / verhaalsfrustratie (beschreven in het arrest Ontvanger / Roelofsen voornoemd). Ter zitting heeft [eiser] gesteld dat dat verwijt al vanaf 2017 gemaakt kan worden. Vanaf dat moment zou welbewust niet meer zijn betaald en/of zou het de bestuurder niet meer vrij hebben gestaan te kiezen wie hij wel of niet zou betalen, zo begrijpt de rechtbank. Nog los van de vraag of er toen daadwerkelijk niets is betaald, constateert de rechtbank dat dit verwijt op geen enkele wijze is onderbouwd. Er is geen enkel feit of omstandigheid naar voren gebracht dat de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een dergelijk willens en wetens bewerkstelligen of toelaten dat [A] haar verplichting jegens [eiser] niet nakwam en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Zo heeft [eiser] niet concreet toegelicht welke middelen [A] (wel) had en waarom de (middellijke) bestuurders geen andere crediteur hadden mogen betalen zonder rekening te houden met de vordering van [eiser] . Dat geldt ook van de periode vanaf december 2021, zoals in de dagvaarding genoemd. Weliswaar stelt [eiser] dat toen sprake was van een benarde financiële situatie, blijkend uit financiële stukken, maar feiten of omstandigheden waaruit een ernstig persoonlijk verwijt gedestilleerd zou kunnen worden ontbreken. Ook hier is het gebleven bij algemene stellingen.
Ter zitting heeft [eiser] verder naar voren gebracht dat in ieder geval in december 2022 met zijn vordering rekening had moeten worden gehouden, gelet op de benarde financiële situatie van [A] . Daartegen hebben gedaagden (althans [B] namens hen) ter zitting naar voren gebracht dat de exploitatie al jaren moeizaam verliep en dat daar slechts een zeer bescheiden inkomen uit verdiend kon worden. Men hield zich net staande, zo heeft de rechtbank dit betoog van gedaagden begrepen. [eiser] verwijt gedaagden dat andere crediteuren wel zijn betaald, alleen hij niet. [B] stelt daartegenover dat inderdaad andere crediteuren zijn betaald, maar dat het daarbij ging om crediteuren zonder welke de exploitatie direct zou zijn geëindigd, zoals gas- en licht. Er was simpelweg geen ruimte om iets van de oude huurschuld af te betalen. [eiser] heeft onvoldoende naar voren gebracht waaruit zou volgen dat onder deze omstandigheden gedaagden niet vrij waren om zo te handelen als zij hebben gedaan.
5.12.
De conclusie is dus dat niet is gebleken dat sprake is van selectieve betaling / verhaalsfrustratie waardoor benadeling heeft plaatsgevonden, zoals is beschreven in het arrest Ontvanger / Roelofsen.
5.13.
[eiser] heeft verder aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het bestuur de turboliquidatie niet correct heeft uitgevoerd, omdat zij [eiser] daarbij niet heeft betrokken en geen rekening heeft gehouden met zijn vordering.
5.14.
Ook dit verwijt leidt niet tot aansprakelijkheid van gedaagden. Weliswaar had het gedaagden (in feite: [gedaagde sub 3] ) gesierd als zij [eiser] , die langdurig coulance heeft betracht, op de hoogte hadden gesteld/betrokken hadden bij het einde van de exploitatie. Dat gedaagden dat niet hebben gedaan betekent echter niet, zonder meer, dat zij daardoor onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] . Dat er een verplichting was om [eiser] als crediteur bij de turboliquidatie te betrekken of hem te compenseren, is betwist en volgt niet uit de feiten. Volgens gedaagden had [A] in feite niets ten tijde van de turboliquidatie [eiser] heeft niets, althans onvoldoende naar voren gebracht waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat het bestuur van [A] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] niet te betrekken bij de turboliquidatie en geen rekening te houden met diens vordering.
5.15.
Tot slot, ook in het geval dat de conclusie zou moeten zijn dat aan gedaagden een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt zou kunnen worden, is door [eiser] niet, althans onvoldoende naar voren gebracht hoe anders handelen tot betaling van zijn vordering (begroot op € 237. 294,29) had kunnen leiden. Hij stelt immers zelf dat de financiële situatie van [A] benard was. Uit de overeenkomst met [C] van april 2023 blijkt dat er geen financiële middelen waren om aan [eiser] ter beschikking te stellen. En de verkoop van de inventaris zou naar verwachting geen substantiële opbrengst hebben gegeven. Welk verhaal [eiser] in geval van ander handelen door het bestuur had kunnen plegen, en derhalve wat zijn schadevordering zou zijn, is door hem niet gesubstantieerd.
5.16.
[eiser] heeft, blijkens de correspondentie, erop gekoerst dat met de letselschade uitkering, die [gedaagde sub 3] zou ontvangen als gevolg van zijn ongeval in 2015, (een deel van ) zijn vordering zou kunnen worden betaald. Daarbij is hij kennelijk van de verkeerde premisse uitgegaan dat onbetaalde huur als gevolg van de arbeidsongeschiktheid van [gedaagde sub 3] als schade vergoed zou worden. Dat is evenwel niet het geval. Het ging immers om huurverplichtingen van [A] enerzijds en om schadevergoeding voor [gedaagde sub 3] privé, nodig voor zijn toekomstig levensonderhoud, anderzijds.
5.17.
De vorderingen van [eiser] worden gezien het voorgaande afgewezen. Het verweer van gedaagden dat de vorderingen verjaard zijn, behoeft alleen al daarom niet te worden behandeld.
5.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.223,00
5.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.223,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.O.a. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI/Kastrop) rov. 4.2. e.v.; HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen).
2.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen).