ECLI:NL:RBOBR:2025:8474

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
25/291
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag herbeoordeling kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen in verband met te late indiening, met bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedaan op 24 december 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen behandeld. Eiseres had haar aanvraag te laat ingediend, wat de Dienst als reden voor afwijzing aanvoerde. De rechtbank oordeelt echter dat er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden die de late indiening rechtvaardigen. Eiseres heeft aangegeven dat zij door ingrijpende gebeurtenissen in haar leven, waaronder de gewelddadige dood van haar partner, psychische problemen heeft ervaren die haar in staat stelden om tijdig op de hoogte te zijn van de hersteloperatie. De rechtbank concludeert dat de Dienst de aanvraag inhoudelijk had moeten behandelen, ondanks de termijnoverschrijding. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de Dienst op om binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Tevens wordt de Dienst veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres, die in totaal € 1.871,40 bedragen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/291

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.G.L. van Veghel),
en

Dienst Toeslagen, de Dienst.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. De Dienst heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres de aanvraag te laat heeft ingediend en er volgens de Dienst geen bijzondere omstandigheden zijn om daarop een uitzondering te maken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de argumenten van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere situatie. Deze bijzondere situatie maakt dat de Dienst in dit geval wél een uitzondering had moeten maken voor de late aanvraag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De Dienst heeft de aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 12 december 2024 (het bestreden besluit) is de Dienst bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Dienst heeft een verweerschrift ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt allereerst of het beroep ontvankelijk is. Als dat zo is, dan beoordeelt de rechtbank daarna de afwijzing van de aanvraag.
Over de ontvankelijkheid van het beroep
4. De Dienst heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat eiseres in het beroepschrift slechts heeft herhaald wat zij in haar bezwaarschrift heeft aangevoerd. Daarop heeft de Dienst al gereageerd in het bestreden besluit. Het is aan eiseres om aan te geven op welke onderdelen van dat besluit zij het niet eens is. Volgens de Dienst bevat het beroepschrift daarom geen gronden. Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. [1] Daarom moet het beroep van eiseres niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de gemachtigde van de Dienst ter zitting.
5. De rechtbank volgt de Dienst daarin niet. Eén van de hoogste bestuursrechters, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), heeft bepaald dat er geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van een beroepschrift. [2] Voorwaarde is wel dat deze een concrete beroepsgrond moet bevatten. Daarmee wordt bedoeld dat duidelijk moet zijn op welk(e) punt(en) eiseres het niet eens is met het bestreden besluit. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar duidelijk gemaakt waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. Dat de strekking van haar bezwaarschrift hetzelfde is als het beroepschrift, doet daaraan niet af. Voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om het beroep ontvankelijk te achten en tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan. Voor de goede orde merkt de rechtbank nog op dat de rechtbank Midden-Nederland in zijn uitspraak niet heeft geoordeeld dat het beroepschrift geen gronden bevatte.
Over de afwijzing van de aanvraag
6. In de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is bepaald dat diegene die schade heeft geleden door de toeslagenaffaire daarvoor compensatie kan aanvragen bij de Dienst. [3] Een aanvraag moest worden ingediend vóór 2 januari 2024. [4] Eiseres heeft haar aanvraag op 4 april 2024 ingediend, dus te laat.
7. Eiseres voert aan dat de Dienst haar aanvraag toch inhoudelijk in behandeling had moeten nemen. Kort samengevat wijst zij erop dat zich enkele zeer ingrijpende gebeurtenissen in haar leven hebben voorgedaan. Daardoor wordt zij voortdurend blootgesteld aan stress waardoor bij haar sprake is van een ernstige psychische aandoening. Vanwege de ingrijpende gebeurtenissen kijkt zij geen televisie en gebruikt zij ook geen social media. Daardoor heeft zij pas later (van een vriendin) vernomen van de toeslagenhersteloperatie en heeft zij zich zo laat bij de Dienst aangemeld.
8. Volgens de Dienst heeft eiseres onvoldoende aangetoond dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het voor haar niet mogelijk was om zich tijdig voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag aan te melden. Zo is niet gebleken dat in 2023 bij eiseres een ernstige psychische aandoening is vastgesteld of dat zij in dat jaar voor die aandoening een intensieve behandeling heeft gekregen. Ook is bijvoorbeeld niet gebleken dat haar kinderen in 2023 ernstig ziek zijn geworden of dat zij in dat jaar voor die ziekte intensief zijn behandeld. De wetgever heeft bewust gekozen voor een ruime aanmeldtermijn van drieënhalfjaar. De mogelijkheid van aanmelden is op verschillende manieren onder de aandacht van ouders gebracht. De Dienst ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Op de zitting heeft de gemachtigde van de Dienst zich op het standpunt gesteld dat eiseres in staat moest worden geacht om zich tijdig bij de Dienst te melden, omdat zij hulp van [naam] ontving. Verder was de wijze van melden laagdrempelig: het kon ook telefonisch. Tenslotte heeft hij opgemerkt dat de te late aanmelding op twee gedachten lijkt te hinken: zodra zij op de hoogte raakte van de hersteloperatie, heeft zij zich meteen aangemeld.
9. De rechtbank merkt op dat in de Wht een hardheidsclausule is opgenomen. [5] Deze maakt het mogelijk om van voormelde termijn af te wijken, indien het vasthouden aan die termijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze hardheidsclausule is bedoeld voor niet precies te voorziene gevallen. Het is aan de Dienst om te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de hardheidsclausule moet worden toegepast. [6]
10. Volgens vaste rechtspraak [7] van de hoogste rechter in dit soort zaken kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering van de aanvraag. De hardheidsclausule is een uitzondering op de gebruikelijke regel. Dit betekent dat degene die een beroep daarop doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat en dit zo concreet mogelijk moet onderbouwen.
11. Eiseres heeft haar persoonlijke omstandigheden op 27 juni 2024 bij de Dienst toegelicht. Zij heeft onder andere verteld dat haar partner in 2017 voor haar ogen van het leven is beroofd. Sindsdien voelt zij zich permanent zeer onveilig en heeft zij flashbacks en nachtmerries. Volgens de GGZ lijdt zij waarschijnlijk aan PTSS. Zij zou in therapie daarvoor moeten gaan, maar dat gaat niet omdat zij zo onrustig is. Ook heeft zij last van allerlei lichamelijke kwalen. Haar oudste zoon van 21 heeft autisme en is moeilijk handelbaar. Haar zoon van 7 jaar wordt getest op ADHD, omdat hij heel druk is. Zij kijkt geen televisie en zit ook niet vaak op sociale media omdat zij dan dingen ziet die haar herinneren aan de gebeurtenis in 2017. Zij raakte daarom pas op de hoogte van de hersteloperatie van een vriendin, die dezelfde dingen met de Dienst heeft meegemaakt. Daarna heeft zij zich bij de Dienst als slachtoffer gemeld. Op de zitting heeft eiseres meegedeeld dat dit in dezelfde week was dat zij over de hersteloperatie hoorde.
12. De Dienst betwist deze feiten en omstandigheden niet. De rechtbank stelt vast dat deze feiten ook in ruime mate door een huisartsenjournaal worden ondersteund. Daaruit blijkt ook dat eiseres voor de zorg voor haar zoons, die haar zwaar valt, ook hulp van [naam] krijgt.
13. De rechtbank vindt het aannemelijk dat deze feiten en omstandigheden tot op heden het leven van eiseres ingrijpend beïnvloeden en dat de hersteloperatie eiseres daardoor is ontgaan. Het valt daarom alleszins te begrijpen dat eiseres zich te laat heeft aangemeld. De rechtbank volgt de Dienst niet in de opvatting dat de te late aanmelding op twee gedachten lijkt te hinken: eiseres heeft namelijk uitgelegd dat zij door haar persoonlijke omstandigheden geen televisie kijkt en niet vaak op sociale media zit, en op andere wijze op de hoogte is geraakt van de hersteloperatie. De rechtbank merkt verder op dat eiseres mogelijk slachtoffer van de toeslagenaffaire is. De regering heeft erkend dat de slachtoffers ongekend leed is toegebracht. Doel van de hersteloperatie is om recht te doen aan mensen die onrecht is aangedaan en het toegebrachte leed te compenseren. Alles afwegende vindt de rechtbank het niet inhoudelijk in behandeling nemen van de aanvraag vanwege een termijnoverschrijding van drie maanden niet opwegen tegen het belang dat eiseres heeft bij een inhoudelijke herbeoordeling, namelijk erkenning als slachtoffer van de toeslagenaffaire en compensatie voor het daardoor ontstane leed. De rechtbank weegt hierbij mee dat eiseres zich alsnog zo spoedig mogelijk bij de Dienst heeft gemeld nadat zij bekend raakte met de herstelactie. Gelet op de door eiseres genoemde ontwrichtende persoonlijke omstandigheden zou het niet inhoudelijk in behandeling nemen van de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank een schrijnende situatie opleveren.
14. Alles overziende is dus sprake van een bijzondere situatie en had de Dienst met toepassing van de hardheidsclausule de aanvraag inhoudelijk moeten behandelen.
15. Vanwege de hierna te bespreken conclusie en gevolgen ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

Conclusie en gevolgen

16. Het voorgaande betekent dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat er opnieuw moet worden beslist op het bezwaar.
17. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting, nu een inhoudelijke behandeling van de aanvraag nog moet plaatsvinden. De rechtbank bepaalt daarom dat de Dienst alsnog een inhoudelijk besluit op bezwaar dient te nemen. Zij geeft de Dienst hiervoor zes maanden de tijd. [8]
18. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. De Dienst moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op
€ 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-). De door eiseres gemaakte reiskosten komen tot een bedrag van € 19,40 voor vergoeding in aanmerking. [9] Ook heeft eiseres kosten gemaakt voor het opvragen van haar medisch dossier bij de huisarts. Deze kosten bedragen € 38 en zijn op 19 december 2024 (dus na het bestreden besluit) voldaan. Onder verwijzing naar twee uitspraken van de CRvB overweegt de rechtbank dat deze kosten dienen te worden aangemerkt als kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb [10] . De totale proceskostenvergoeding bedraagt aldus € 1.871,40.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 12 december 2024;
  • draagt de Dienst op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de Dienst tot betaling van € 1.871,40 aan proceskosten aan eiseres;
  • draagt de Dienst op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 28 mei 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3807, r.o. 6.
2.zie CRvB 15 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:682.
3.Artikel 2.1 van de Wht.
4.Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
5.Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
6.Zie in dit kader ook Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 162.
7.Zie wat is overwogen onder 7.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
8.De rechtbank sluit hiervoor aan bij de beslistermijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag om herbeoordeling, zoals volgt uit artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
9.De reiskosten zijn, met gebruikmaking van de informatie op www.9292.nl, berekend op basis van de kosten van het openbaar vervoer, 2e klas.
10.Uitspraken van 27 september 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY9124 en van 18 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4047.