ECLI:NL:CRVB:2007:BA4047

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1619 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding in hoger beroep bij herziening WAO-uitkering

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarin het beroep tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ongegrond werd verklaard. Het Uwv had eerder de WAO-uitkering van appellante herzien, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verlaagd van 80-100% naar 35-45%. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing in haar uitspraak van 2 maart 2006.

Tijdens het hoger beroep heeft het Uwv een nieuw besluit genomen, waarin het eerdere besluit en de ongegrondverklaring van het bezwaar zijn ingetrokken. Het Uwv heeft de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 december 2004 voortgezet op het oorspronkelijke niveau van 80-100%. Tevens heeft het Uwv de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase vergoed, maar niet de kosten voor rapportages van het Instituut Psychosofia, omdat deze niet als deskundigenrapporten werden erkend.

De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat appellante geen belang meer heeft bij een oordeel over de juistheid van de eerdere uitspraak van de rechtbank, nu het Uwv het besluit heeft ingetrokken. Het hoger beroep tegen het eerdere besluit is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Wat betreft het nieuwe besluit heeft de Raad vastgesteld dat de kosten voor de rapportages van het Instituut Psychosofia niet voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat de kosten voor het medisch journaal van de huisarts wel vergoed moeten worden. De Raad heeft het Uwv veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante in zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, tot een totaalbedrag van € 1324,80, en heeft bepaald dat het Uwv het griffierecht van € 142,- aan appellante vergoedt.

Uitspraak

06/1619 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2006, 05/3729 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 21 september 2006, doen toekomen (hierna: besluit II).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2007. Namens appellante is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich, met telefonisch bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 13 december 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij besluit van 22 juli 2005 (hierna: besluit I) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen besluit I ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Hangende het hoger beroep heeft het Uwv besluit II genomen. Bij dit besluit heeft het Uwv het besluit van 18 oktober 2004 en besluit I ingetrokken en de WAO-uitkering met ingang van 13 december 2004 ongewijzigd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% voortgezet. Voorts heeft het Uwv in besluit II de door appellante in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 644,- vergoed en toegezegd de wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan uitkering te vergoeden. De door appellante verzochte vergoeding van de kosten in verband met rapportages van het Instituut Psychosofia heeft het Uwv niet vergoed, omdat deze rapporten door het Uwv niet worden aangemerkt als rapporten afkomstig van een medisch deskundige. Ten slotte heeft het Uwv medegedeeld de kosten voor het opvragen van informatie bij de huisarts niet te zullen vergoeden, omdat deze informatie pas tijdens de beroepsprocedure is overgelegd, zodat geen sprake is van kosten van het bezwaar. Ten overvloede heeft het Uwv hierbij opgemerkt dat op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) alleen kosten worden vergoed wanneer de verkregen informatie de vorm heeft van een verslag van een deskundige uitgebracht aan een partij en dat een medisch journaal niet onder deze definitie valt.
Appellante heeft het hoger beroep voortgezet, omdat zij van mening is dat de door haar in de loop van de procedure gemaakte proceskosten ten onrechte niet volledig zijn vergoed. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante bevestigd dat over de vergoeding van de wettelijke rente geen geschil meer bestaat.
De Raad overweegt als volgt.
Nu besluit I is ingetrokken en het Uwv heeft toegezegd de schade ten gevolge van dit besluit in de vorm van wettelijke rente te zullen vergoeden, heeft appellante geen belang meer bij een oordeel over de juistheid van het in de aangevallen uitspraak door de rechtbank gegeven oordeel over dit besluit. Het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen besluit I, dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Besluit II is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu in dit besluit het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten niet volledig is toegewezen, komt dit besluit niet geheel aan appellante tegemoet. Gelet hierop wordt het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen besluit II.
De kosten in verband met de in bezwaar ingebrachte rapportages van Instituut Psychosofia komen volgens vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2005, LJN: AT4323) niet voor vergoeding in aanmerking. Hetgeen hierover door de gemachtigde van appellante is aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen. De Raad volstaat ermee te verwijzen naar de genoemde uitspraak. Het beroep tegen besluit II is derhalve ongegrond.
De kosten van de in beroep en hoger beroep ingebrachte rapportages van Instituut Psychosofia komen gelet op het vorenstaande evenmin voor vergoeding in aanmerking.
Appellante heeft in beroep een medisch journaal van haar huisarts ingebracht en verzocht de kosten daarvan (€ 36,80) te vergoeden. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 september 2006 (LJN: AY9124) overweegt de Raad dat deze kosten dienen te worden aangemerkt als kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Dat dit verslag de vorm heeft van een medisch journaal maakt dit niet anders. Nu de kosten hiervan voldoende zijn gespecificeerd, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.
Voorts bestaat aanleiding het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering te veroordelen in de kosten van beroepsmatig verleende rechtbijstand van appellante in eerste aanleg en hoger beroep, bestaande uit het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting van de rechtbank en het indienen van een hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van de Raad, tezamen € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op besluit I, niet-ontvankelijk;
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om proceskostenveroordeling is afgewezen;
Verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het besluit van 21 september 2006, ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1324,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.