ECLI:NL:RBOBR:2025:7076
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning na schending hoorplicht en onvoldoende onderbouwing
Eiseres maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar woning, vastgesteld op €334.000 voor het kalenderjaar 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens de procedure erkende de heffingsambtenaar dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden. Partijen kwamen tot een minnelijke regeling waarbij het gebrek werd gepasseerd en de zaak verder werd beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde onvoldoende aannemelijk had gemaakt, omdat de onderliggende waardematrix niet was overgelegd. Eiseres had de door haar bepleite lagere waarde van €280.000 ook niet voldoende onderbouwd. Omdat geen van beide partijen hun waarde aannemelijk maakte, stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €310.000.
Verder werd de proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep toegewezen aan eiseres, evenals het griffierecht. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor de procedure met 16 maanden was overschreden en veroordeelde de Staat tot een vergoeding van €1.500 aan immateriële schade. Het verzoek om betaling van proceskosten aan de gemachtigde werd afgewezen vanwege het cessieverbod. De uitspraak vervangt de bestreden uitspraak op bezwaar.
Uitkomst: WOZ-waarde woning vastgesteld op €310.000 en Staat veroordeeld tot vergoeding immateriële schade van €1.500.