Eiser sloot in 2020 een arbeidsongeschiktheidsverzekering af bij TAF en vulde daarbij een gezondheidsverklaring in waarin hij drugsgebruik ontkende. Na uitval wegens gezondheidsklachten en een herseninfarct weigerde TAF een uitkering en beëindigde de verzekering vanwege vermeend verzwegen drugsgebruik en het vermeende verband met de arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank stelt vast dat eiser de vraag over drugsgebruik onjuist heeft beantwoord en daarmee zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Echter, het standpunt van TAF dat sprake is van opzettelijke misleiding wordt verworpen, mede omdat eiser handelde op advies van zijn assurantietussenpersoon en er geen bewijs is dat hij bewust wilde misleiden.
Voorts is niet vastgesteld dat eiser jarenlang en frequent cocaïne gebruikte ten tijde van de aanvraag. TAF heeft ook onvoldoende onderbouwd dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering bij bekendheid van het drugsgebruik zou hebben geweigerd, mede door onduidelijkheid over het acceptatiebeleid.
Daarnaast faalt het beroep op de uitsluitingsclausule omdat het causaal verband tussen drugsgebruik en arbeidsongeschiktheid niet overtuigend is aangetoond. De rechtbank beveelt voortzetting van de verzekering en houdt de beslissing over de uitkering aan, zodat eerst de mate van arbeidsongeschiktheid kan worden vastgesteld.