ECLI:NL:RBOBR:2025:5362

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
C/01/406880 / FA RK 24-305
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van erkenningen door duomoeders van hun niet-biologische kinderen

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 24 juni 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen twee moeders, moeder A en moeder B, over de erkenning van hun niet-biologische kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Moeder A verzoekt om de vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] door haar en de erkenning van [minderjarige 2] door moeder B. De rechtbank heeft vastgesteld dat beide moeders de kinderen hebben erkend, maar dat moeder A niet de biologische moeder is van [minderjarige 1] en moeder B niet de biologische moeder is van [minderjarige 2]. De rechtbank oordeelt dat moeder A niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot vernietiging van de erkenningen, omdat de moeders weloverwogen de keuze hebben gemaakt om elkaars kinderen te erkennen. De bijzondere curator, die optreedt namens de minderjarigen, heeft echter een gelijkluidend verzoek ingediend en is ontvankelijk in haar verzoeken. De rechtbank overweegt dat de jeugdige leeftijd van de kinderen (acht en elf jaar) meebrengt dat zij nog niet in staat zijn om de gevolgen van de vernietiging van de erkenning te overzien. De rechtbank concludeert dat het in het belang van de kinderen is om nu een beslissing te nemen over de vernietiging van de erkenningen, gezien de schadelijke gevolgen van de huidige situatie. Uiteindelijk heeft de rechtbank de verzoeken van de bijzondere curator toegewezen en de erkenningen vernietigd, waardoor de kinderen alleen in familierechtelijke betrekking staan tot hun biologische moeders.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/406880 / FA RK 24-3051
Uitspraak : 24 juni 2025
Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank over afstamming in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: moeder [A] ,
advocaat: mr. A. Houtman.
De rechtbank merkt aan als belanghebbenden:
[moeder B],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: moeder [B] ,
voor wie zich geen advocaat heeft gesteld,
en
mr. [bijzondere curator], kantoor houdende te Oss, in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , en
  • [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
als zodanig benoemd bij de beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2024.
In het kader van zijn wettelijke taak is in de procedure betrokken;
de
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift van moeder [A] , ontvangen bij de griffie op 7 juni 2024;
- de correspondentie, waaronder met name:
  • een F9-formulier van mr. Houtman van 5 augustus 2024;
  • het verslag van de bijzondere curator van 2 september 2024.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 10 juni 2025. Verschenen zijn moeder [A] met mr. Houtman, moeder [B] , de bijzondere curator en mevrouw [vertegenwoordigster raad] namens de raad.

2.De feiten

2.1.
Op [geboortedatum 1] is [minderjarige 1] uit moeder [B] geboren. De zwangerschap van [minderjarige 1] is ontstaan na behandeling van moeder [B] bij fertiliteitskliniek [naam kliniek] te [plaats] . De biologische vader van [minderjarige 1] is een onbekende spermadonor. [minderjarige 1] heeft de mogelijkheid zijn donor (eenmalig) te ontmoeten als hij zestien jaar of ouder is.
2.2.
Na de geboorte van [minderjarige 1] was alleen moeder [B] zijn juridische ouder. Moeder [B] had alleen het gezag over hem.
2.3.
Omstreeks augustus 2015 hebben moeder [B] en moeder [A] elkaar leren kennen. In januari 2016 zijn zij gaan samenwonen.
2.4.
Begin 2016 is moeder [A] , tevens na behandeling bij fertiliteitskliniek [naam kliniek] , in verwachting geraakt. Moeder [A] was al bezig met dit traject op het moment dat zij moeder [B] leerde kennen. De biologische vader van [minderjarige 2] is een onbekende spermadonor. [minderjarige 2] heeft de mogelijkheid zijn donor (eenmalig) te ontmoeten als hij zestien jaar of ouder is.
2.5.
Op 21 september 2016 heeft moeder [A] [minderjarige 1] erkend. Op diezelfde dag heeft moeder [B] het ongeboren kind van moeder [A] erkend.
2.6.
Op 5 oktober 2016 is in het gezagsregister aangetekend dat de moeders gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] .
2.7.
Op [geboortedatum 2] is [minderjarige 2] uit moeder [A] geboren. Moeder [B] heeft aangifte gedaan van zijn geboorte. Op 14 december 2016 is in het gezagsregister aangetekend dat de moeders gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 2] .
2.8.
De moeders zijn op 22 augustus 2018 te West Maas en Waal met elkaar gehuwd.
2.9.
Op 6 januari 2021 hebben de moeders in het gezagsregister laten aantekenen dat zij wensen dat na hun overlijden [naam 1] en [naam 2] met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden belast.
2.10.
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 15 juli 2022 is tussen de moeders de echtscheiding uitgesproken. Die beschikking is op 27 juli 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.11.
In de beschikking van 15 juli 2022 is bepaald dat het tussen de moeders gesloten echtscheidingsconvenant met ouderschapsplan onderdeel is van die beschikking.
2.12.
In het ouderschapsplan zijn de moeders, onder meer en voor zover hier van belang, overeengekomen dat [minderjarige 1] hoofdverblijfplaats zal hebben bij moeder [B] en [minderjarige 2] bij moeder [A] . Ook zijn zij een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen die inhoudt dat [minderjarige 1] eenmaal per veertien dagen (in de even weken) een weekend bij moeder [A] is en [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen (in de oneven weken) een weekend bij moeder [B] . Door deze verdeling waren [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de weekenden steeds bij elkaar.
Verder is een regeling voor vakanties en feestdagen overeengekomen die een, zo veel als mogelijk, gelijke verdeling inhoudt.
2.13.
In artikel 6 van het ouderschapsplan zijn afspraken opgenomen over de door moeder [A] aan moeder [B] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
2.14.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 april 2023 is het gezamenlijk gezag van de moeders over [minderjarige 1] beëindigd en is bepaald dat het gezag over hem voortaan aan moeder [B] alleen toekomt. Bij diezelfde beschikking is het gezamenlijk gezag van de moeders over [minderjarige 2] beëindigd en is bepaald dat het gezag over hem voortaan aan moeder [A] alleen toekomt.
2.15.
Na de echtscheiding, op 13 mei 2023, heeft moeder [A] in het gezagsregister laten aantekenen dat zij wenst dat na haar overlijden mevrouw [naam 3] met de voogdij over [minderjarige 2] wordt belast.
2.16.
Aan de zorgregeling die de moeders zijn overeengekomen in het ouderschapsplan dat is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 15 juli 2022 wordt geen uitvoering gegeven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben tot ongeveer een half jaar na de datum van de echtscheidingsbeschikking nog wel volgens de zorgregeling bij de andere ouder verbleven. Daarna maakten de moeders af en toe een afspraak, zodat de kinderen elkaar en de andere ouder konden zien. Inmiddels heeft [minderjarige 1] geen contact meer met moeder [A] en heeft [minderjarige 2] geen contact meer met moeder [B] . Ook [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien elkaar niet meer.

3.De verzoeken

3.1.
Moeder [A] verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vernietiging van de over en weer gedane erkenning uit te spreken, aldus dat de erkenning van [minderjarige 2] door moeder [B] wordt vernietigd en de erkenning van [minderjarige 1] door moeder [A] wordt vernietigd met de opdracht aan de griffier om een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te sturen en de opdracht te geven deze vernietiging in de registers te verwerken en daarbij de achternaam van [minderjarige 2] te wijzigen in [geslachtsnaam moeder A] .
3.2.
De bijzondere curator verzoekt namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vernietiging van de over en weer gedane erkenning uit te spreken, aldus dat de erkenning van [minderjarige 2] door moeder [B] wordt vernietigd en de erkenning van [minderjarige 1] door moeder [A] wordt vernietigd met de opdracht aan de griffier om een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te sturen en de opdracht te geven deze vernietiging in de registers te verwerken en daarbij de achternaam van [minderjarige 2] te wijzigen in [A] .
3.3.
De rechtbank zal, voor zover nodig, onder de beoordeling ingaan op wat moeder [A] en de bijzondere curator aan hun verzoeken ten grondslag leggen, op het standpunt van moeder [B] , van [minderjarige 2] en op het standpunt van de raad.

4.De beoordeling

4.1.
Artikel 1:205a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een verzoek tot vernietiging van de door de moeder gedane erkenning, op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, bij de rechtbank kan worden ingediend door de erkenner of door de moeder. In beide gevallen is wettelijk vereist dat degene die het verzoek doet door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden tot de erkenning of tot het geven van toestemming voor erkenning is bewogen.
4.2.
Een verzoek tot vernietiging van de door de moeder gedane erkenning kan, op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, ook door het kind zelf bij de rechtbank worden ingediend, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.
De verzoeken van moeder [A]
4.3.
Uit het hiervoor beschreven wettelijk kader volgt dat moeder [A] niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] door haar en van [minderjarige 2] door moeder [B] . De moeders hebben immers weloverwogen de keuze gemaakt om elkaars kinderen te erkennen en om elkaar toestemming te geven voor de erkenning door de ander, terwijl zij wisten dat de erkenner niet de biologische ouder was. Van een wilsgebrek is geen sprake.
4.4.
De rechtbank zal dus hierna bij de beslissing moeder [A] niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken.
De verzoeken van de bijzondere curator namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
4.5.
De bijzondere curator neemt het verzoek van moeder [A] over en doet namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een gelijkluidend verzoek.
4.6.
De bijzondere curator is vanuit haar rol bevoegd om verzoeken te doen namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn beiden minderjarigen. De verzoeken zijn dus tijdig gedaan (artikel 1:205a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:205 lid 4 BW). De bijzondere curator is dus ontvankelijk in haar verzoeken en de rechtbank komt toe aan een inhoudelijke beoordeling van die verzoeken.
4.7.
Vast staat dat moeder [A] niet de biologische moeder is van [minderjarige 1] en dat moeder [B] niet de biologische moeder is van [minderjarige 2] . Daarmee is voldaan aan de grond voor vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] door moeder [A] en van [minderjarige 2] door moeder [B] .
4.8.
Uit de wettekst blijkt niet of er nog ruimte is voor een weging van de betrokken belangen als de erkenner niet de biologische ouder is van het kind. Uit de wettekst volgt evenmin dat die ruimte ontbreekt. Ook de parlementaire geschiedenis bij artikel 1:205a BW geeft hierop geen antwoord.
De Hoge Raad heeft geoordeeld [1] dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het belang van een zeer jeugdig kind meebrengt dat over de ontkenning van het vaderschap niet wordt beslist voordat het kind zelf zich daarover een weloverwogen oordeel kan vormen. De Hoge Raad overweegt in dat arrest dat de bijzondere curator die een verzoek doet namens het kind, zelfstandig moet toetsen of het belang van het kind is gediend met het al dan niet ontkennen van het vaderschap van de wettige vader. De rechtbank moet vervolgens bij het nemen van de beslissing over de ontkenning van het vaderschap het belang van het kind centraal stellen.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze uitspraak van de Hoge Raad in deze procedure relevant, hoewel die uitspraak betrekking had op een verzoek tot ontkenning van het vaderschap en in deze procedure verzoeken voorliggen tot vernietiging van de erkenning in de zin van artikel 1:205a BW. Maar, bij beide verzoeken is het rechtsgevolg gelijk: een kind verliest een juridische ouder.
4.9.
Het is niet duidelijk op welke leeftijdsgroep de Hoge Raad in zijn uitspraak doelt met “een zeer jeugdig kind”. Mogelijk heeft de Hoge Raad die groep niet verder willen afbakenen. [minderjarige 1] is elf jaar en [minderjarige 2] is acht jaar. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij beiden een zodanige leeftijd dat zij nog niet goed kunnen overzien wat de gevolgen zijn van een vernietiging van de erkenning. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk tijdens het kindgesprek met [minderjarige 2] . Voor [minderjarige 2] lijkt vooral zijn achternaam van belang te zijn. Hij lijkt niet bezig te zijn met wat het voor hem betekent als de familierechtelijke betrekking met moeder [B] in stand blijft of niet meer zou bestaan. De stelling van moeder [A] dat [minderjarige 2] in zijn gedrag laat zien dat hij zich vooral wil identificeren met moeder [A] en haar familie, betekent niet zonder meer dat [minderjarige 2] kan overzien wat de gevolgen zijn van een vernietiging van de erkenning door moeder [B] .
4.10.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij gelet op de jeugdige leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet beoordelen of er omstandigheden zijn die maken dat het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat op de vernietiging van de erkenning niet wordt beslist totdat zij zich daarover zelf een weloverwogen oordeel kunnen vormen.
4.11.
Met verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraak van de Hoge Raad, stelt de bijzondere curator zich in haar verslag op het standpunt dat sprake is van omstandigheden die maken dat het belang van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] vergt dat reeds nu een beslissing wordt genomen over de vernietiging van de erkenning. De bijzondere curator benoemt in dat verband dat er niet of nauwelijks contact is tussen de kinderen en de (mee)moeder die hen heeft erkend. Met name [minderjarige 1] ervaart dit als een persoonlijke afwijzing door moeder [A] en dat beschadigt hem psychisch en emotioneel. [minderjarige 2] ervaart veel last van het feit dat hij niet de achternaam draagt van zijn biologische moeder bij wie hij zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Volgens de bijzondere curator is er gelet op deze omstandigheden een aanzienlijk risico dat als de erkenningen in stand worden gelaten, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De bijzondere curator constateert dat die belemmeringen nu al zichtbaar zijn. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is hulpverlening ingezet die slechts ten dele heeft geholpen om de problematiek op te lossen.
De bijzondere curator handhaaft haar verzoek namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.12.
De rechtbank stelt voorop dat de uitvoering van het ouderschapsplan na de echtscheiding niet goed is gegaan. De raad heeft dit naar het oordeel van de rechtbank treffend verwoord tijdens de mondelinge behandeling. De raad is geschrokken van het ogenschijnlijke gemak waarmee de moeders hebben bewerkstelligd dat de banden met elkaar, met de kinderen en tussen de kinderen onderling zijn doorgeknipt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeiden op in één gezin met twee moeders. Na de echtscheiding van hun moeders was dit gezin ineens weg: één gezin is opgeknipt in twee gezinnen. De raad benadrukt dat dit heel schadelijk is voor de kinderen. Beide kinderen laten, ieder op hun eigen manier, ook zien hier last van te hebben.
4.13.
De rechtbank onderschrijft dit standpunt van de raad. Van de moeders mocht worden gevergd dat zij zich (meer) hadden ingespannen om in de periode rondom en na de echtscheiding hun ex-partner- en communicatieproblemen op te lossen en de (sociale) familiebanden te behouden voor de kinderen. Daar zouden verschillende passende hulptrajecten beschikbaar voor zijn geweest.
4.14.
De rechtbank is het echter ook met de raad en de bijzondere curator eens dat de familierechtelijke betrekking die er formeel nog is tussen de moeders en het kind dat zij hebben erkend, in de praktijk niets meer inhoudt. Maar, de rechtbank ziet, net als de raad, geen reële mogelijkheden meer om die situatie nog terug te draaien op een manier die de belangen van de kinderen dient. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijken na de hulpverlening die zij hebben ontvangen de laatste tijd iets meer rust te ervaren. De rechtbank gunt het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat die rust gehandhaafd blijft. Uit de stukken en wat is besproken tijdens de zitting, maakt de rechtbank op dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zullen opgroeien in een eenoudergezin zonder de verwachting dat hun erkenner in de toekomst nog in hun leven aanwezig zal zijn als ouder.
4.15.
Bij die feitelijke situatie past dat op dit moment een beslissing wordt genomen op de verzoeken van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning. Het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] centraal stellende, zal de rechtbank de verzoeken van de bijzondere curator hierna toewijzen.
4.16.
Nadat deze beschikking kracht van gewijsde heeft gekregen (dat wil zeggen dat daartegen geen hoger beroep meer open staat), moeten de erkenningen worden geacht nimmer te zijn gedaan. Dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan alleen in familierechtelijke betrekking staan tot één moeder, namelijk hun biologische en tevens juridische moeder, betekent dat zij van rechtswege de geslachtsnaam dragen van hun moeder (artikel 1:5 lid 1 BW). Voor [minderjarige 2] betekent dit dat hij van rechtswege [geslachtsnaam moeder A] zal heten.
4.17.
Net als de raad spreekt de rechtbank de hoop uit dat de moeders goed naar hun kind zullen blijven kijken en dat zij, als er op enig moment bij hun kind vragen ontstaan of een behoefte ontstaat aan contact met de voormalige meemoeder en de voormalige (sociale) broer, die vragen zullen beantwoorden en die contacten zullen bevorderen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart moeder [A] niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
5.2.
vernietigt de erkenning gedaan door
[verzoekster]op 21 september 2016 van
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ;
5.3.
vernietigt de erkenning gedaan door
[moeder B]op 21 september 2016 van
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] ;
5.4.
draagt op grond van artikel 1:20e, eerste lid, BW de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenten Eindhoven en Nijmegen;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af;
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, mr. F.M.S. Requisizione en mr. M.R.A. de Werd rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 24 juni 2025.
Conc: MKa
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Zie het arrest van 31 oktober 2003 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2003:AJ3261.