Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven
Inleiding
Vooraf
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] voor 2022, vastgesteld op €425.000. Hij stelt onder meer dat de waarde te hoog is, dat hij onvoldoende inzage kreeg in de waardematrix en dat het eigen aankoopcijfer van €311.000 niet is meegenomen. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende heeft onderbouwd met taxaties en vergelijkingsobjecten.
De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af wegens tijdige mogelijkheid tot reageren en voldoende procesvoering. De heffingsambtenaar heeft voldaan aan de verplichting tot verstrekking van stukken; de waardematrix was nog niet opgesteld in de bezwaarfase. De bouwtekeningen behoeven geen overlegging omdat eiser geen gemotiveerde betwisting heeft geuit.
De rechtbank overweegt dat het eigen aankoopcijfer niet representatief is omdat de woning via erfpacht en zonder vrije markttransactie is gekocht. De gebruikte vergelijkingsobjecten zijn voldoende vergelijkbaar en correcties voor de staat van onderhoud en ligging zijn adequaat toegepast. Het waardedrukkende effect van het ontbreken van een achtertuin is met een correctie van circa 68,5% op de grondwaarde verwerkt. Eiser heeft onvoldoende toetsbare gegevens aangeleverd om de vastgestelde waarde te betwisten. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de WOZ-waarde van €425.000.