ECLI:NL:RBOBR:2022:872
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde bedrijfswoning en motivering uitspraak op bezwaar
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn bedrijfswoning per waardepeildatum 1 januari 2019, gesteld op €221.000, en vordert een lagere waarde van €174.000 zonder nadere onderbouwing.
De rechtbank stelt vast dat de objectkenmerken niet in geschil zijn en dat verweerder de waarde heeft onderbouwd met een taxatierapport van 31 maart 2021, opgesteld door een erkende taxateur. Eiser voert aan dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, met name vanwege het ontbreken van referentiepanden en onduidelijkheid over gebruikte taxatiewijzers en factoren.
De rechtbank oordeelt dat verweerder in de uitspraak op bezwaar voldoende heeft toegelicht dat de landelijke taxatiewijzers voor agrarische objecten zijn gebruikt en dat de bezwaren van eiser zijn behandeld. De enkele stelling van eiser dat sanitair en badkamer gedateerd zijn, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeert dat verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €221.000 wordt ongegrond verklaard.