Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
Inleiding
7 september 2021.
Beoordeling door de rechtbank
1 januari 2019 een WW-uitkering toegekend. Eiser heeft recht op deze WW-uitkering tot uiterlijk 16 augustus 2020. Met ingang van 4 februari 2019 is eiser met toestemming van het UWV gaan werken als zelfstandige. Omdat eiser werkt als zelfstandige is zijn WW-uitkering op 1 augustus 2019 beëindigd. Op 19 maart 2021 heeft eiser (opnieuw) een WW-uitkering aangevraagd. In zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij zijn WW-uitkering met ingang van 1 februari 2021 wil laten herleven omdat hij vanaf die datum niet meer werkt als zelfstandige. In eerste instantie heeft het UWV met zijn besluit van 24 maart 2021 de WW-uitkering met ingang van 1 februari 2021 voortgezet. Daarna heeft het UWV dit besluit ingetrokken en betaalde WW-uitkering over de periode van 1 februari 2021 tot en met 30 april 2021 terug- en ingevorderd.
1 februari 2021 volledig en definitief is gestopt met zijn werk als zelfstandige. Volgens het UWV is dat niet het geval. Eiser heeft in de periode van 1 februari 2021 tot 19 april 2021 nog administratieve werkzaamheden voor zijn onderneming verricht en volgens het UWV volgt uit vaste rechtspraak [2] dat hiermee zijn werkzaamheden niet volledig zijn gestopt. Uit het feit dat eiser zich binnen een maand na het aanvragen van zijn WW-uitkering weer heeft ingeschreven als zelfstandige blijkt volgens het UWV dat eiser niet definitief is gestopt als zelfstandige.
16 april 2021.Eiser kan pas rechten ontlenen aan artikel 8, derde lid, van de WW als hij zijn in 4 februari 2019 begonnen werkzaamheden als zelfstandige voor 16 april 2021 geheel heeft beëindigd. De rechtbank moet dus kijken naar wat er feitelijk is gebeurd tussen 1 februari 2021 (de gestelde einddatum van de werkzaamheden als zelfstandige) en 16 april 2021 (de uiterste datum voor herleving van het recht op WW).
Vervolgens moet worden beoordeeld of eiser ook definitief is gestopt als zelfstandige. Eiser heeft zich op 19 april 2021 weer ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en het UWV wijst erop dat tussen de aanvraag van de WW-uitkering (op 24 maart 2021) en de genoemde inschrijving maar een korte periode ligt. De rechtbank begrijpt dat daardoor de indruk kan ontstaan dat het handelen van eiser calculerend was. Daartegenover staat dat het UWV geen aanleiding heeft gezien om diepgaand(er) onderzoek te verrichten naar bijvoorbeeld de zakelijke bankrekening van eiser. Het UWV heeft op de zitting aan te geven daar geen aanleiding toe te hebben gezien, omdat het geen reden had om te twijfelen aan wat eiser (daarover) verklaarde.
Conclusie en gevolgen
1 februari 2021 recht op een WW-uitkering tot zijn herinschrijving bij de KvK. Omdat de rechtbank de hoogte van de uitkering niet kan vaststellen zal de rechtbank het UWV opdragen om binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal
mr. J.J.J. Sillen, leden, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2022.