Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2021:714

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
19 februari 2021
Zaaknummer
20/123
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 16 Wet WOZArtikel 220a GemeentewetArtikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling objectafbakening en waardering samenstel recreatiepark en golfbaan volgens Wet WOZ

Eiser, eigenaar van een object bestaande uit een recreatiepark met 18 recreatiewoningen, een clubhuis, een golfbaan en diverse bijbehorende voorzieningen, betwist de objectafbakening en waardering door de heffingsambtenaar van de gemeente Boxmeer.

De heffingsambtenaar had de waarde van het object per 1 januari 2017 vastgesteld en de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning voor 2018 opgelegd. Eiser stelt dat de golfbaan en het recreatiepark los van elkaar gewaardeerd moeten worden, omdat zij geen één terrein vormen bestemd voor verblijfsrecreatie zoals bedoeld in artikel 16, sub e, Wet WOZ.

De rechtbank stelt vast dat het object op één terrein ligt, toegankelijk is via één gezamenlijke ingang, één eigenaar en één gebruiker kent, en dat het object als een samenstel moet worden aangemerkt conform artikel 16, aanhef en onder d, Wet WOZ. De rechtbank volgt daarmee het standpunt van verweerder en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de waardering van het samenstel recreatiepark en golfbaan wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 20/123

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Boxmeer, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 oktober 2019, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: het object), per waardepeildatum 1 januari 2017, voor het kalenderjaar 2018, vastgesteld op € [bedrag] . In dit geschrift is tevens de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) eigenaar niet-woning voor het kalenderjaar 2018 bekend gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2019 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een taxatierapport van 31 maart 2020, dat is opgesteld door N.L. van Domselaar , taxateur. Naar aanleiding van door de rechtbank gestelde vragen, is door verweerder een nader taxatierapport, van 4 mei 2020, uitgebracht.
De rechtbank heeft partijen vervolgens bericht dat zij van oordeel is dat het niet nodig is een zitting te houden in de zaak en verzocht in te stemmen met afdoening van de zaak zonder zitting als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Eiseres heeft desgevraagd aangegeven een zitting te wensen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021 door middel van een skype-beeldverbinding. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] , bijgestaan door E.M.J. Brandsen, taxateur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten
Eiser is eigenaar van het object, dat bestaat uit 18 recreatiewoningen met als bouwjaar 2008, een clubhuis/brasserie met als bouwjaar 2000, een golfbaan (9 holes) met drivingrange uit het jaar 2012, twee opslag/magazijnruimten uit 2012, twee parkwegen (voor vakantiepark en golfbaan), en een onverhard en verhard parkeerterrein. Het object ligt op een kavel met een kadastrale oppervlakte van in totaal 165.715 m², waarvan 144.915 m² in de waardering is betrokken.
Geschil en beoordeling
1. Eiser voert aan dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste objectafbakening. Voor zover de rechtbank oordeelt dat verweerder is uitgegaan van een juiste objectafbakening, voert eiser aan dat bij de waardering op geen enkele wijze rekening is gehouden met de woondelenvrijstelling conform artikel 220a van de Gemeentewet.
2. De rechtbank stelt vast dat aan eiser, eigenaar van het object, geen aanslag onroerendezaakbelastingen gebruikersheffing is opgelegd, zodat reeds hierom het aangevoerde over de woondelenvrijstelling niet slaagt. Dat betekent dat uitsluitend in geschil is of de objectafbakening juist is.
3. Volgens eiser moeten de golfbaan en het recreatiepark los van elkaar gewaardeerd worden, omdat geen sprake is van één terrein bestemd voor verblijfsrecreatie, als bedoeld in artikel 16, sub e, van de Wet WOZ en heeft verweerder het recreatiepark en de golfbaan ten onrechte tezamen gewaardeerd als één onroerende zaak.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de objectafbakening juist is en dat weliswaar sprake is van één object, maar niet van een geheel dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd, als bedoeld in artikel 16, onder e, van de Wet WOZ. Daartoe voert verweerder aan dat het vakantiepark en de golfbaan los van elkaar worden geëxploiteerd. Volgens verweerder is sprake van een samenstel als bedoeld in artikel 16, onder d, van de Wet WOZ.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. De hiervoor genoemde gebouwde en ongebouwde eigendommen zijn op één terrein gelegen en toegankelijk via één gezamenlijke ingang. Deze eigendommen hebben één eigenaar ( [eiser] ) en één gebruiker ( [naam] B.V.) en horen naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar. De rechtbank overweegt dat het object moet worden aangemerkt als een samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ en verwijst in dit verband ook naar haar eerdere oordeel over de afbakening van het object, zoals vastgelegd in de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:2178).
6. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, voorzitter, en mr. F.M.S. Requisizione en mr. G.J. van Leijenhorst, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. de Kruif, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 19 februari 2021.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.