Eiser was sinds augustus 2018 als arts werkzaam bij het ministerie van Defensie en vroeg ontslag per 28 februari 2019. Hij vroeg een WW-uitkering aan die aanvankelijk toegekend werd vanaf 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019. De ex-werkgever maakte bezwaar tegen deze uitkering, waarna verweerder de uitkering per 2 april 2019 geheel weigerde wegens verwijtbare werkloosheid.
Eiser stelde beroep in tegen deze weigering. Tijdens de procedure werd het besluit herzien en werd de uitkering alsnog toegekend van 1 maart tot 2 april 2019, met beëindiging per 3 april 2019. Eiser beriep zich op het vertrouwensbeginsel omdat het primaire besluit hem gerechtvaardigde verwachtingen zou hebben gegeven.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk was omdat dit besluit was vervangen door het latere besluit. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat verweerder verplicht was het bezwaar van de ex-werkgever volledig te heroverwegen en het besluit nog niet onherroepelijk was. De uitkering mocht daarom per 3 april 2019 worden beëindigd. Het beroep werd ongegrond verklaard.