Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Overwegingen
3. Na eerst vanuit huis enige taken te hebben gedaan voor eiseres, heeft de werkneemster op 29 augustus 2016 hervat in aangepast werk voor twee keer drie uren per week, wat is teruggebracht naar twee keer tweeëneenhalf uur per week. Volgens de Eerstejaarsevaluatie van 30 november 2016 is re-integratie in spoor 2 (passende arbeid bij een andere werkgever) op dat moment nog niet ingezet. Op 8 december 2016 is een offerte gevraagd voor begeleiding in spoor 2.
6. De werkneemster heeft op 29 augustus 2017 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet WIA. Een verzekeringsarts van verweerder heeft onderzoek gedaan en zich in het rapport van 10 oktober 2017 op het standpunt gesteld dat een verminderde belastbaarheid voor werkneemster aan de orde is en in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van die datum aangegeven dat de werkneemster vijf maal per week vier uur kan werken. Daarbij is de visie van de bedrijfsarts ter zijde geschoven.
Na de rapporten van de verzekeringsarts van 10 oktober 2017 en de arbeidsdeskundige van 14 november 2017 zijn de primaire besluiten gevolgd.
12. Verweerder moet zijn besluit deugdelijk motiveren. Een loonsanctiebesluit, zoals bedoeld in artikel 25, lid 9, van de Wet WIA, is een belastend besluit. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat in verband daarmee op verweerder de plicht rust om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, of dit zonder deugdelijke grond is geschied en daarbij inzichtelijk en concreet te motiveren waaruit de tekortkoming van de werkgever heeft bestaan (zie onder meer de uitspraken van 12 december 2018 en 5 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2018:3959 en ECLI:NL:CRVB:2019:2235). Uit het belastende karakter van het besluit tot oplegging van een loonsanctie volgt dus dat verweerder bij dat besluit duidelijk moet motiveren welke tekortkoming aan de werkgever wordt verweten en gemotiveerd uiteen moet zetten dat dit zonder deugdelijke grond is gebeurd.
21. Eiseres heeft zich in dat licht op het standpunt gesteld dat de rechtbank verweerder ten onrechte de kans heeft gegeven het bestreden besluit nader te onderbouwen. Dit standpunt is onjuist. Een bestuursorgaan mag weliswaar niet buiten de rechter om onderzoek doen om zijn bewijs rond te krijgen, maar dit neemt niet weg dat de rechter instructies kan geven voor nader onderzoek indien hij dit nodig acht (zie bijvoorbeeld de artikelen 8:45, 8:46 en 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141, r.o. 5.5.). Verweerder heeft in deze beroepsprocedure niet alle gevraagde informatie kunnen verkrijgen door de weigering van de werkneemster om de gevraagde toestemming te verlenen. Dit heeft in deze zaak geen doorslaggevende betekenis omdat de kern in deze zaak is dat verweerder zijn besluit niet toereikend heeft onderbouwd.
23. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu wordt geoordeeld dat niet toereikend is onderbouwd dat eiseres in haar re-integratieverplichtingen is tekortgeschoten, moet de conclusie zijn dat ten onrechte een loonsanctie is opgelegd. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het primaire besluit I van 15 november 2017 waarbij de loonsanctie werd opgelegd, zal worden herroepen. Daardoor is de grondslag weg voor het primaire besluit II, waarbij de behandeling van de WIA-aanvraag werd uitgesteld. Daarom zal ook dit besluit worden herroepen. Verweerder zal de aanvraag voor een WIA-uitkering in behandeling moeten nemen en een eerdere ingangsdatum moeten koppelen aan een eventuele WIA-uitkering.
Verzoek om schadevergoeding
Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding, maar dit verzoek niet cijfermatig onderbouwd. Zij heeft aangegeven dat zij de omvang van de loonsanctie (nog) niet kon vaststellen. Hoewel daarvoor ruim de gelegenheid is geweest is het verzoek nog steeds niet onderbouwd. Het kan daarom niet worden gehonoreerd. Aan de opgelegde loonsanctie is met deze uitspraak evenwel de grondslag komen te ontvallen omdat het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen.
Vanaf de datum van ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift op 14 december 2017 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure twee jaar en acht maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van eiseres zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met acht maanden overschreden. Dit leidt tot een te vergoeden immateriële schade van in totaal € 1.000,-.
Beslissing
€ 2.362,50;