ECLI:NL:RBOBR:2019:2955
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen aanslag zuiveringsheffing en beroep op opbrengstlimiet
De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van eiseres tegen de aanslag zuiveringsheffing 2016 opgelegd door het Waterschap Aa en Maas. De aanslag was gebaseerd op 48,8 vervuilingseenheden (ve) tegen een tarief van €46,68 per ve, berekend op basis van 2.123 m³ ingenomen water en een afvalwatercoëfficiënt van 0,023 per m³. Eiseres betwistte de juistheid van deze berekening en voerde aan dat verweerder onvoldoende inzicht had gegeven in de wijze waarop de aanslag was vastgesteld.
Daarnaast stelde eiseres dat de opbrengstlimiet was overschreden en verweerder onvoldoende gegevens had verstrekt over de ramingen van baten en lasten, waardoor de Verordening zuiveringsheffing onverbindend zou zijn. Verweerder verwees naar de openbare begroting 2016 van het Waterschap, waaruit blijkt dat de geraamde lasten de opbrengsten niet overschrijden.
De rechtbank oordeelde dat de bedrijfsruimte van eiseres, een sporthal, niet in de Conversietabel van bedrijfscategorieën valt, waardoor een afvalwatercoëfficiënt van 0,021 geldt, passend binnen klasse 8 van de tabel afvalwatercoëfficiënten met een coëfficiënt van 0,023. De hoeveelheid ingenomen water van 2.123 m³ was gebaseerd op gegevens van Brabant Water en niet weersproken door eiseres.
Ten aanzien van de opbrengstlimiet overwoog de rechtbank dat verweerder voldoende inzicht had gegeven in de ramingen van baten en lasten door het overleggen van de programmabegroting 2016. Eiseres had niet voldaan aan haar bewijslast om aan te tonen dat de opbrengstlimiet was overschreden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag zuiveringsheffing 2016 wordt ongegrond verklaard.