ECLI:NL:RBOBR:2018:3272
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde van woning op basis van waarde in het economisch verkeer
Eiser is eigenaar van een tussenwoning in Boxmeer, gekocht in 2016 voor €162.000, met meerwerk van €15.000 tot €25.000. Verweerder stelde de WOZ-waarde vast op €196.000 en handhaafde dit na bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze waarde.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde in beginsel overeenkomt met de zakelijke aankoopprijs, tenzij feiten en omstandigheden aantonen dat deze prijs niet de waarde in het economisch verkeer weerspiegelt. De rechtbank sluit zich aan bij verweerder dat stichtingskosten en meerwerk niet automatisch de waarde bepalen en dat eiser dit onvoldoende heeft onderbouwd.
Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een waardematrix en vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser. De rechtbank verwerpt het gebruik van een minder vergelijkbaar object in Overloon. Eiser heeft zijn lagere waarde van €182.000 niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde van €196.000 niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door rechter C.F.E. van Olden-Smit op 3 juli 2018.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de WOZ-waarde van €196.000.