Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
.Eiser geeft daarin aan dat zijn werkloosheid eerst is ingegaan op 19 juli 2016 en dat hij samen met zijn vier kinderen per 18 juli 2016 is ingeschreven in de gemeente Reusel-De Mierden. Hij verzoekt om toepassing te geven aan artikel 65, tweede lid van de EG-Verordening 883/2004. Dat heeft geleid tot de hier in geding zijnde besluitvorming, als geschetst onder het procesverloop.
.Hier is slechts sprake van een feitelijke onjuistheid in het primaire besluit (en in het eerdere 4:6-besluit van 15 februari 2017), waarover in het bestreden besluit overigens terecht is overwogen dat in het weigeringsbesluit wel van de juiste datum is uitgegaan, te weten einde dienstverband per 19 juli 2016 en dat eiser ook onder die omstandigheden niet kan worden beschouwd als grensarbeider. Dat eiser zich op de laatste dag van zijn Belgische dienstverband in Nederland heeft gevestigd, is ook geen (nieuw) feit dat niet bekend was ten tijde van het weigeringsbesluit. Voor zover eiser meent dat het weigeringsbesluit op onjuiste feitelijke dan wel juridische gronden is genomen, betreft dat een standpunt en geen novum in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Dit is slechts anders indien een dergelijk standpunt steunt op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dat is hier niet het geval. Het had op eisers weg gelegen tegen het weigeringsbesluit bezwaar te maken. Dergelijke bezwaren kunnen in het kader van artikel 4:6 van Pro de Awb niet (alsnog) worden beoordeeld.