Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2017 in de zaak tussen
wijlen [eiser] , eiser, [eiseres] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
Door enkele in de advertenties vermelde goederen en kentekens te vergelijken met betalingen op de bankrekening van eisers werd de identiteit van de adverteerders nader bepaald en bleek dat dit eiser was, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2016. Uit de gegevens bleek voorts dat eisers in de periode van 8 maart 2007 tot 1 mei 2016, in welke periode zij 97 maanden bijstand hebben genoten, in totaal 1333 advertenties hebben geplaatst op Marktplaats. In de periode van 8 maart 2007 tot en met 8 juni 2008 waren dat er 229, in de periode van 10 oktober 2008 tot en met 31 maart 2011 302 (waarbij onder meer zes auto’s en veel auto-onderdelen te koop werden aangeboden) en in de periode van 1 februari 2012 tot en met 25 mei 2016 802 (waarbij wederom zes auto’s en veel auto-onderdelen te koop werden aangeboden).
Omdat eisers geen administratie hebben bijgehouden van de handel op Marktplaats en ook anderszins geen objectiveerbare en controleerbare bewijsstukken hebben overgelegd over
de verkochte goederen en mogelijke inkomsten in voornoemde perioden, is het recht op bijstand niet vast te stellen.
Ook is niet aangetoond dat meerdere keren hetzelfde artikel werd aangeboden en/of dat er spullen voor derden op Markplaats werden gezet. De verklaring dat er enkele spullen moesten worden verkocht in verband met de verhuizing in september 2012 is niet afdoende gezien het grote aantal advertenties en dat het college in eerste instantie is meegegaan in deze verklaring komt voor rekening en risico van eisers, aldus de BcS.
Omdat er geen boekhouding is bijgehouden met betrekking tot de handel via Marktplaats is niet vast te stellen of eisers in de perioden in geding recht hadden op bijstand en was verweerder gehouden de ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen, aldus de BcS. Omdat een gedetailleerde berekening met betrekking tot het terug te vorderen bedrag niet is verstrekt bij het primaire besluit, heeft de BcS verweerder geadviseerd de berekening alsnog mee te sturen met de beslissing op bezwaar. Bij het bestreden besluit is een uitdraai van de uitkeringsadministratie gevoegd.
Op deze afschriften is een aantal bijschrijvingen te zien onder vermelding van een artikel. Omdat verweerder (ook) over deze afschriften beschikte was hij dus bekend met de activiteiten van eisers, aldus eisers. Door ineens, in 2016, de verleende bijstand in te trekken op grond van feiten die al veel langer bekend waren of bekend konden zijn bij verweerder, handelt verweerder in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, aldus eisers.
De zesmaandenjurisprudentie is daarom in dit geval - waarin de terugvordering geen bevoegdheid maar een verplichting is - niet van toepassing.
Hetgeen door eiseres in dit verband naar voren is gebracht is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Immers, in het geval van gezinsbijstand zoals in dit geval worden de beide in de gezinsband begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de Pw betreft. Daarom kan geen van beiden zich met succes beroepen op onbekendheid met de activiteiten van de ander. De (mate van) verwijtbaarheid van eiseres wordt pas van belang indien verweerder ertoe overgaat om een boete aan eiseres op te leggen. Voor het herstel van de rechtstoestand, waartoe de intrekking en terugvordering dienen, zijn beide in de gezinsbijstand begrepen partners, onafhankelijk van hun individuele verwijtbaarheid, hoofdelijk aansprakelijk. Dat verweerder heeft afgezien van aangifte bij het Openbaar Ministerie omdat eiser is overleden en aannemelijk is dat hij de feitelijke handelingen heeft verricht die noodzakelijk waren voor de handel in goederen op Marktplaats is in verband hiermee evenmin een dringende reden om af te zien van de terugvordering of deze te matigen door, bijvoorbeeld, de terugvordering niet te bruteren.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-;
- draagt verweerder op aan eisers het betaalde griffierecht van € 46,- te vergoeden.