Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser
de korpschef van politie(hierna: de korpschef), gemachtigde: mr. F.F.M.J. van den Einden.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser, een hoofdagent bij de politie Oost-Brabant, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim na seksueel getinte contacten via WhatsApp met een minderjarige. Het UWV trok zijn WW-uitkering per 1 juni 2017 in wegens verwijtbare werkloosheid. Eiser betwistte alleen de subjectieve dringende reden voor ontslag en stelde dat de korpschef onvoldoende voortvarend had gehandeld.
De rechtbank stelde vast dat de korpschef vanaf de eerste signalen in april 2015 tot het ontslag in april 2016 zorgvuldig en voortvarend handelde, mede doordat het strafrechtelijk onderzoek voorrang kreeg en de korpschef afhankelijk was van het Openbaar Ministerie. De schending van de hoorplicht door het UWV werd geconstateerd, maar dit leidde niet tot vernietiging omdat eiser alsnog zijn zienswijze kon geven.
De rechtbank concludeerde dat zowel een objectieve als subjectieve dringende reden voor ontslag bestond en dat het UWV terecht oordeelde dat eiser verwijtbaar werkloos was geworden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.