Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Verweerder heeft het bezwaar tegen de primaire besluiten 2 en 4 ongegrond en het bezwaar tegen primair besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard.
Overwegingen
[naam] (hierna [vader] ), staat vanaf 1996 ingeschreven op dit adres in Duitsland. Volgens een medewerker van de afdeling burgerzaken van de gemeente [plaats] wordt dit adres voornamelijk gebruikt als postadres door Nederlanders.
De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het rapport van de Sociale Recherche van 2 mei 2014 met bijlagen.
De Belastingdienst heeft vastgesteld dat [vader] in de periode van 2010 tot en met 2013 niet bij eiseres heeft gewoond. De herenkleding die bij eiseres op de slaapkamer is aangetroffen is niet van [vader] , maar van de vader van eiseres die in een verpleeghuis verblijft. Eiseres wast zijn kleren en bewaart deze daarom in haar woning.
.
Eiseres heeft bij verweerder nooit gemeld dat er wijzigingen in haar inkomens- en/of vermogenspositie waren opgetreden als gevolg van een erfstukken/cadeaus van aanzienlijke waarde die zij naar haar zeggen van derden heeft ontvangen.
.Bovendien zou dit betekenen dat eiseres in de periode in geding kennelijk niet in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd omdat zij in haar primaire levensbehoeften op een andere wijze heeft kunnen voorzien dan met haar bijstandsuitkering.
[zoon] .
.De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat verweerder terecht aan eiseres een boete van 100% van het vanaf 1 januari 2013 berekende benadelingsbedrag heeft opgelegd. Eiseres heeft over een lange, voortgaande periode structureel de inlichtingenplicht geschonden. Zij ontvangt vanaf 1993 een bijstandsuitkering naar de norm alleenstaande (ouder). Zij heeft bij verweerder nooit aangegeven dat zij samenwoonde met [vader] en evenmin dat haar zoon, [zoon] , het adres in Duitsland alleen gebruikte als postadres en feitelijk nog steeds in haar woning zijn thuisbasis had. Evenmin heeft zij bij verweerder gemeld dat zij over zodanig veel middelen beschikte dat zij haar bijstandsuitkering kon aanwenden voor de aanschaf van dure luxeartikelen. In het bijzonder dit laatste leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres willens en wetens de inlichtingenplicht heeft geschonden, temeer daar zij, blijkens het verhandelde ter zitting, (nog steeds) de mening is toegedaan dat het haar vrijstond de aan haar verleende bijstand te besteden aan luxe artikelen nu zij de bijstand niet nodig had om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.
Eiseres heeft niet gesteld, noch is gebleken dat zij door deze gang van zaken is benadeeld. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit, voor zover dat betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen primair besluit 4 wordt dan ook geacht gericht te zijn tegen het besluit van 19 januari 2016.