Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Bij besluit van 18 juni 2012 heeft verweerder eisers verzoek om functieonderhoud deels toegewezen. Bij dit besluit is besloten dat met ingang van 25 april 2010 tot datum inwerkingtreding van dit besluit het samenstel van werkzaamheden geldt zoals door eiser als bijlage bij het verzoek tot functieonderhoud is aangeleverd. Tevens is bepaald dat per 18 juni 2012 ten aanzien van eiser de nieuwe persoonsgebonden functie van Loopbaanadviseur van kracht is.
2. Bij besluit van 21 juni 2012 is de uitgangspositie van eiser voor de overgang naar een LFNP-functie vastgesteld op de functie van Loopbaanadviseur.
3. Bij besluit van 16 december 2013 is, uitgaande van de uitgangspositie van Loopbaanadviseur (samenstel van werkzaamheden d.d. 26 april 2011), de LFNP-functie waar eiser op 1 januari 2012 naar overgaat bepaald op de functie van Bedrijfsvoeringspecialist B (schaal 10). Omdat na 31 december 2011 nog sprake is geweest van formele wijzigingen is, uitgaande van de uitgangspositie van loopbaanadviseur (functiecode 465), per 18 juni 2012 de LFNP-functie bepaald op die van Gespecialiseerd Medewerker C (schaal 9). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 16 december 2013 gehandhaafd.
4. Eiser voert aan dat programmadirecteur HRM, R.E. Kuil, niet bevoegd is tot het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiser hierin niet en wijst daarbij op haar uitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:59). Hierin heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank allereerst overwogen dat voormelde bevoegdheid toekomt aan de directeur Human Resource Management (HRM), drs. D.H. Oldenhof, nu aangelegenheden met betrekking tot de overgang naar het LFNP tot haar werkterrein behoren. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat door de directeur HRM ondermandaat is verleend aan de programmadirecteur HRM. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit op bezwaar bevoegd is genomen. De rechtbank ziet in deze zaak geen reden voor een ander oordeel. 5. In voormelde uitspraak van 9 januari 2015 heeft deze rechtbank verder geoordeeld dat de zogenoemde transponeringstabel een algemeen verbindend voorschrift (avv) is en dat geen sprake is van ernstig feilen op grond waarvan deze avv niet kan worden toegepast. De rechtbank verwijst hier – kortheidshalve - naar 3.2 tot en met 3.6 van die uitspraak.
6. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de juistheid van het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de overgang naar een LFNP-functie per 1 januari 2012, niet in geschil. Partijen houdt verdeeld de vraag of verweerder aan de overgang per 18 juni 2012 de Regeling ‘overgang naar een LFNP-functie’ (Regeling) en bijbehorende transponeringstabel ten grondslag heeft mogen leggen.
7. De rechtbank stelt voorop dat, nu de Regeling geen bepalingen bevat die zien op de overgang in de periode op en na 1 januari 2012, de Regeling op die gevallen niet rechtstreeks van toepassing is. Indien een korpsfunctie van een individuele politieambtenaar na 1 januari 2012 evenwel formeel is gewijzigd, is verweerder gehouden die gewijzigde korpsfunctie - met toepassing van de hem in artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) gegeven bevoegdheid - alsnog in te passen in een LFNP-functie. Met de invoering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 van de Regeling vaststelling LFNP kan verweerder vanaf die datum immers enkel nog LFNP-functies hanteren.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het kader van de invulling van zijn bevoegdheid tot inpassing van een korpsfunctie in een LFNP-functie in redelijkheid kunnen komen tot een analoge toepassing van de Regeling en bijbehorende transponeringstabel. Uit een oogpunt van goed werkgeverschap en algemene beginselen van behoorlijk bestuur is het niet verdedigbaar dat een korpsfunctie die vóór 1 januari 2012 aan de hand van de Regeling en bijbehorende transponeringstabel is gematcht in een bepaalde LFNP-functie, op en na die datum - met voorbijgaan aan de in artikel 3 van de Regeling voorgeschreven wijze van organieke matching - ingepast zou worden in een andere LFNP-functie.
9. Aan het voorgaande doet niet af dat bij wijzigingen van de korpsfunctie die plaatsvonden op en na 1 januari 2012, voor politieambtenaren niet langer de mogelijkheid van functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Stcrt. 2012,3097) openstond. Voor zover een politieambtenaar zich met een op en na
1. januari 2012 op hem van toepassing verklaarde functiebeschrijving niet kon verenigen, stond voor hem de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.
10. Eiser voert aan dat zijn korpsfunctie gematcht had moeten worden binnen het vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen in plaats van het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning. Volgens eiser ligt in zijn feitelijke werkzaamheden de nadruk op het adviseren over uitvoeringsaspecten van beleid en het doen van verbetervoorstellen. Daarnaast vergt het vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen een HBO werk- en denkniveau, hetgeen aansluit op het opleidingsniveau van eiser. Eiser meent dat hij binnen het vakgebied Bedrijfsvoeringsspecialismen geplaatst had moeten worden in de functie van Bedrijfsvoeringspecialist B.
11. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser lijkt te veronderstellen, bij de keuze van het vakgebied niet eisers feitelijke werkzaamheden bepalend zijn, maar de werkzaamheden zoals die zijn beschreven in de korpsfunctiebeschrijving van Loopbaanadviseur. Uitgaande van die korpsfunctiebeschrijving is de rechtbank van oordeel dat van een onhoudbare match naar een functie binnen het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning, mede gelet op de ter zitting door verweerder gegeven toelichting, geen sprake is.
12. De vakgebieden Gespecialiseerde Ondersteuning en Bedrijfsvoeringspecialismen) hebben verschillende raakvlakken. In het vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen wordt echter bijgedragen aan een efficiënte en effectieve organisatie door de bedrijfsvoering en uitvoeringspraktijk vanuit specialisatie op beleidsmatig niveau te ondersteunen en door het zich proactief en reactief richten op verbeteringen in de bedrijfsvoering. In het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning is sprake van het toepassen van vastgestelde beleidsproducten volgens gestandaardiseerde methoden, technieken en bekende benaderingswijzen.
13. In de korpsfunctiebeschrijving van Loopbaanadviseur is het doel van de functie expliciet omschreven als het werken binnen de kaders van eerder vastgesteld beleid. Voor zover sprake is van advisering, bestaat die uit het aandragen van mogelijke oplossingen voor knelpunten in de uitvoering van het beleid. Gelet hierop acht de rechtbank verweerders keuze voor het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning niet onbegrijpelijk. Eisers stelling omtrent zijn opleidingsniveau maakt dit niet anders, nu niet het werk- en denkniveau maar de kern en/of het doel van de functie de keuze voor het vakgebied bepaalt.
14. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verweerder analoge toepassing had moeten geven aan de in artikel 5, vierde lid, van de Regeling opgenomen hardheidsclausule. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de hardheidsclausule naar aard en bewoordingen ziet op onbillijkheden van overwegende aard in individuele gevallen en op bijzondere situaties die de regelgever bij het tot stand brengen van de regeling niet heeft voorzien. Eiser voert aan dat hij de in zijn (aangepaste) functiebeschrijving vermelde werkzaamheden nimmer heeft uitgevoerd daar hij steeds tijdelijk was belast met andere werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt deze omstandigheid geen toepassing van de hardheidsclausule. Indien eiser van mening was dat de bij besluit van 18 juni 2012 op hem van toepassing verklaarde functiebeschrijving geen recht deed aan de feitelijk verrichte werkzaamheden, had het op zijn weg gelegen om tegen dat besluit bezwaar te maken.
14. Eiser voert ten slotte aan dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd, omdat geen acht is geslagen op de aanbevelingen van de hoorambtenaren, met name dat vanuit het samenstel van omstandigheden een beroep op billijkheid gerechtvaardigd is. Verweerder is echter in het bestreden besluit expliciet ingegaan op de vraag of om redenen van billijkheid (analoge) toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule. Deze grond slaagt niet.
16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.