Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
aantoonbaregeschiktheid” wordt niet gesteld in artikel 15:1:10a:9, tweede lid, aanhef en onder b en c, van het Sociaal Statuut en past bovendien niet in een procedure waarin verweerder zich in beginsel verplicht heeft tot plaatsing van de werknemer. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat van hem niet kan worden verlangd een werknemer geschikt te maken voor een functie, voor zover dit zou betekenen dat de betreffende werknemer een langdurige opleiding voor de betreffende functie zou moeten volgen. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt, dat een werknemer alleen geschikt is voor een functie wanneer hij daarin vanaf de allereerste dag volledig kan functioneren, deelt de rechtbank echter niet. Wanneer een nieuwe medewerker een functie aanvangt, zal hem altijd enige inwerktijd worden gegund. Niet valt in te zien waarom dat voor een werknemer van Orionis Walcheren die in een voor hem nieuwe functie wordt geplaatst, anders zou moeten zijn. Daar komt bij dat artikel 15:1:10a:15 van het Sociaal Statuut verweerder een uitweg biedt in het geval een plaatsing toch niet aan de verwachtingen voldoet. In dit artikel is immers bepaald dat binnen een jaar na de inwerkingtreding van de reorganisatie en de daarmede gepaard gaande plaatsingen, de plaatsingen worden geëvalueerd. Indien blijkt, dat een plaatsing naar het oordeel van het verweerder, dan wel van de werknemer en verweerder, niet aan de verwachtingen voldoet, kan de plaatsingsprocedure, voor zover nodig, opnieuw worden doorlopen. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat van verweerder mag worden verwacht dat hij niet elk risico bij de plaatsingen uitsluit door een aantoonbare geschiktheid voor een functie van de werknemer te verlangen.