ECLI:NL:RBOBR:2014:6284

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
21 oktober 2014
Zaaknummer
SHE 14/2326
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Disciplinaire strafontslag gemeentelijke deurwaarder en WW-uitkering

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 10 oktober 2014 uitspraak gedaan in een geschil tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (eiser) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verweerder) over de toekenning van een WW-uitkering aan een voormalig gemeentelijke deurwaarder, [belanghebbende]. De rechtbank oordeelt dat [belanghebbende] niet verwijtbaar werkloos is geworden, ondanks dat hij eerder een disciplinaire straf van ontslag heeft gekregen wegens ernstig plichtsverzuim. De rechtbank stelt vast dat de werkgever niet voldoende voortvarend heeft gehandeld in de procedure rondom het ontslag, wat heeft geleid tot de conclusie dat er geen subjectieve dringende reden voor ontslag aanwezig was. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en concludeert dat de gedragingen van [belanghebbende] niet zodanig waren dat deze een arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag vormden. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond en bevestigt dat [belanghebbende] recht heeft op een WW-uitkering, die met terugwerkende kracht wordt toegekend vanaf 20 september 2013. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en voortvarendheid in disciplinaire procedures en de beoordeling van verwijtbaarheid bij werkloosheid.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 14/2326

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 oktober 2014 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

eiser
(gemachtigde: mr. A. Kraag),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. W.J.C. Rademakers).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[belanghebbende], te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [belanghebbende]meegedeeld dat hij vanaf 20 september 2013 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat de uitkering niet wordt uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid.
Verweerder heeft eiser, voormalig werkgever van [belanghebbende], bij brief van 17 maart 2014, een afschrift van het primaire besluit toegezonden.
Bij besluit van 2 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [belanghebbende] gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van 17 maart 2014 herroepen en aan [belanghebbende] met ingang van 20 september 2013 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een dagloon van € 165,26.
Verweerder heeft eiser bij brief van 2 juni 2014 een afschrift van het bestreden besluit toegezonden.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2014. De rechtbank heeft deze zaak ter zitting gevoegd met zaak SHE 14/1545. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank deze zaak en zaak SHE 14/1545 gesplitst.
Overwegingen
1. De rechtbank overweegt allereerst dat, nu in het primaire besluit de WW-uitkering aan [belanghebbende] is afgewezen, eiser er redelijkerwijs geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Hij was het immers eens met dit primaire besluit. Bij de toekenning van de WW-uitkering bij het bestreden besluit heeft eiser als eigenrisicodrager een financieel belang. Eiser is derhalve ontvankelijk in zijn beroep.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [belanghebbende] is vanaf 1 juni 1992 als deurwaarder in dienst bij verweerder. Vanaf 1 december 2012 gold voor [belanghebbende] eisers Regeling inzake reis- en verblijfkosten bij dienstreizen (Regeling) (artikel 15:1:22:8 CAR/EAR), op grond waarvan lunches die zijn genoten in gelegenheden buiten een straal van 1 kilometer van eisers stadhuis, kunnen worden gedeclareerd tegen overlegging van bewijs. In januari 2013 is bij de leidinggevende van [belanghebbende] twijfel ontstaan over de door deze gedeclareerde bonnen. Deze twijfel heeft geleid tot een melding van een vermoeden van integriteitsschending bij eisers Meldpunt Integriteit en vervolgens tot een onderzoek door bureau Hoffmann Bedrijfsrecherche (Hoffmann) naar het declaratiegedrag van [belanghebbende]. Eiser heeft [belanghebbende] met ingang van 5 juni 2013 geschorst in afwachting van de uikomsten van het onderzoek en om herhaling te voorkomen. Op 6 juni 2013 heeft Hoffmann een rapport uitgebracht. Eiser heeft dit rapport met [belanghebbende] besproken. Op 25 juni 2013 heeft [belanghebbende] per e-mail op het onderzoeksrapport gereageerd. Bij brief van 24 juli 2013 heeft eiser [belanghebbende] in kennis gesteld van zijn voornemen om de disciplinaire maatregel van strafontslag op te leggen. Op 2 augustus 2013 heeft een hoorzitting over dit voornemen plaatsgevonden.
3. Bij besluit van 16 september 2013 heeft eiser [belanghebbende] de disciplinaire straf van ontslag met ingang van 20 september 2013 opgelegd. Eiser verwijt [belanghebbende] dat hij bij herhaling bonnen heeft gedeclareerd voor lunches die niet zijn genoten en niet zijn betaald door hem, dat hij lunches heeft gedeclareerd van lunchgelegenheden die zich binnen een straal van 1 km van het stadhuis bevinden en dat hij maaltijden als lunches heeft gedeclareerd die ingepakt zijn meegenomen om ’s avonds te nuttigen. [belanghebbende] heeft tegen dit ontslag bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 oktober 2014 (zaaknummer 14/1120) het beroep ongegrond verklaard.
4. Op 24 september 2013 heeft [belanghebbende] bij verweerder een WW-uitkering aangevraagd.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [belanghebbende] niet verwijtbaar werkloos is geworden omdat aan de werkloosheid weliswaar een objectieve dringende reden ten grondslag ligt maar geen subjectieve dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eiser heeft in de ogen van verweerder niet voldoende voortvarend gehandeld. Daarbij doelt verweerder op de periode van ruim vier weken die is gelegen tussen de reactie op 25 juni 2013 van [belanghebbende] op het rapport van Hoffmann en de schriftelijke aanzegging van 24 juli 2013 van het voornemen van de strafoplegging en de periode van ruim zes weken gelegen tussen de mondelinge zienswijze van [belanghebbende] op 2 augustus 2013 en het besluit van 16 september 2013 tot ontslag per 20 september 2013. Verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 december 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BY8149.
6. Eiser voert aan dat het tijdsverloop tussen de verweten gedragingen en het ontslag wordt veroorzaakt door een extern onderzoek om de objectiviteit te waarborgen en de procedurele stappen zoals hoor en wederhoor en het uitreiken van een voornemen tot ontslag om
[belanghebbende] de gelegenheid te bieden zijn zienswijze kenbaar te maken. Pas daarna is het mogelijk om een besluit uit te reiken. Er is geen sprake geweest van een stilzitten van de kant van eiser. Met het feit dat [belanghebbende] kort na het extern onderzoek is geschorst heeft eiser een duidelijk signaal afgegeven dat de verweten gedraging als zeer ernstig plichtsverzuim en onacceptabel wordt aangemerkt.
7. Aan de orde is de vraag of aan de werkloosheid van [belanghebbende] een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW ten grondslag ligt. Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij de beoordeling of zich een dringende reden voor ontslag heeft voorgedaan de volgende aspecten te worden meegewogen: de aard en de ernst van de gedraging van de werknemer, de reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer, alsmede andere relevante aspecten van de dienstbetrekking, zoals de aard en duur ervan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de betrokkene heeft (zie onder andere de uitspraken van 2 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1153 en van 5 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6554). Het enkele feit dat aan [belanghebbende] strafontslag is verleend en dat dit ontslag de rechterlijke toets heeft doorstaan, leidt nog niet tot de conclusie dat de reden van het strafontslag is aan te merken als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW.
8. Bij uitspraak van 2 oktober 2014 heeft deze rechtbank geoordeeld dat [belanghebbende] zich toerekenbaar schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De rechtbank verwijst naar de overwegingen in die uitspraak en neemt deze over. Het bij herhaling declareren van bonnen voor lunches die niet zijn genoten en niet zelf zijn betaald, het declareren van lunches van een lunchgelegenheid die zich binnen een straal van 1 km van het stadhuis bevindt en het declareren van maaltijden als lunches die ingepakt zijn meegenomen om ’s avonds te nuttigen, levert een omstandigheid op die objectief gezien een dringende reden oplevert. Dit betekent dat voor iedere werkgever die geconfronteerd wordt met een dergelijke omstandigheid dit aanleiding is voor het opleggen van de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag. Door zo te handelen heeft [belanghebbende] niet alleen eisers regels overtreden maar heeft hij ook het in hem door eiser gestelde vertrouwen om integer te handelen geschonden
.Door toedoen van [belanghebbende] is een situatie ontstaan waarin het redelijkerwijs niet van eiser gevergd kon worden de arbeidsrelatie met [belanghebbende] nog langer te laten voortduren.
9. Vervolgens dient beoordeeld te worden of, nu zich een omstandigheid voordoet die objectief gezien als dringende reden moet worden aangemerkt, dit ook voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag oplevert. Voor de beantwoording van de vraag of subjectief bezien sprake is van een dringende reden is het handelen van eiser van belang vanaf het moment dat eiser op de hoogte raakte van het plichtsverzuim door [belanghebbende] tot 20 september 2013, de ingangsdatum van de disciplinaire maatregel van ontslag.
10. De rechtbank is van oordeel dat het moment waarop eiser bekend is geworden met het plichtsverzuim door [belanghebbende] niet eerder kan zijn gelegen dan het moment waarop het recherchebureau Hoffmann zijn rapport heeft uitgebracht. Eerst met dat rapport werd duidelijk dat de twijfel bij eiser gerechtvaardigd was en bleek pas de omvang van de feiten.
11. Niet geheel duidelijk is wanneer eiser het rapport van Hoffmann heeft ontvangen en wanneer hij het rapport naar [belanghebbende] heeft gestuurd. Gelet op het feit dat [belanghebbende] op 25 juni 2013 per email op het rapport heeft gereageerd, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser het rapport in ieder geval vóór 25 juni 2013 heeft ontvangen. Het is de rechtbank niet gebleken dat na deze email verder feitenonderzoek door Hoffmann heeft plaatsgevonden.
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser in de periode na afronding van het onderzoek op 25 juni 2013 tot het moment dat [belanghebbende] in kennis is gesteld van het voornemen van de disciplinaire maatregel, 24 juli 2013, en in de periode na de hoorzitting over het voornemen op 2 augustus 2013 tot het definitieve besluit van 16 september 2013, niet voortvarend heeft gehandeld. Eiser heeft verklaard dat de tijd is besteed aan intern beraad en het inwinnen van extern advies. Aan eiser kan worden toegegeven dat in organisaties als die van eiser enige tijd voor vooroverleg en beraad nodig kan zijn voordat (definitieve) rechtspositionele stappen worden ondernomen en dat dit heeft te gelden als zorgvuldig werkgeverschap. Nu eiser echter niet inzichtelijk heeft gemaakt waaruit dit overleg heeft bestaan en wanneer die overlegmomenten zijn geweest, ziet de rechtbank niet in waarom hier respectievelijk vijf en zes weken voor nodig zijn geweest. Daarbij acht de rechtbank van belang dat geen sprake is van een zeer omvangrijk dossier en dat de feiten door [belanghebbende] in een gesprek met Hoffman op 24 mei 2013 reeds waren erkend. Gelet op de tussen de verschillende handelingen liggende perioden concludeert de rechtbank dat de gedragingen van [belanghebbende] voor eiser blijkbaar niet zodanig waren, dat deze een arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag vormden. De door eiser aangevoerde schorsing van [belanghebbende] met ingang van 5 juni 2013 doet daar niet aan af. Van een subjectieve dringende reden is dan ook geen sprake.
13. Verweerder heeft daarom [belanghebbende] terecht per 20 september 2013 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.
14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y. van de Kraats, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en mr.
I. Ravenschlag, leden, in aanwezigheid van mr. P.D.H. Selhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.